Converseren met muziek; De hechte band tussen de componisten Britten en Sjostakowitsj

Een van de opmerkelijkste muzikale gebeurtenissen in het komende seizoen is de elfdelige concertserie met werk van Benjamin Britten en Dmitri Sjostakowitsj. Beide componisten bewonderden elkaars werk en hadden ondanks de taalbarrière een hechte vriendschapsband, vertelt Donald Mitchell, samensteller van de concertserie.

Britten-Sjostakowitsj: twee series concerten in de Grote en de Kleine Zaal van het Amsterdamse Concertgebouw met o.a. Oliver Knussen, Bernard Haitink, Gennady Rozhdestvensky, Vladimir Ashkenazy, Robert Holl en het Borodin Kwartet. Vanaf 18 september.

In het 'Red House' is het tijdens het Aldeburgh Festival nog even gezellig en druk als toen de componist Benjamin Britten en zijn vriend, de tenor Peter Pears, hier woonden. Aldeburgh, schoongeblazen door de zeewind en fris geschilderd, ligt erg afgelegen aan de Engelse oostkust tussen Harwich en Lowestoft, waar Britten werd geboren. Maar dankzij het door Britten en Pears in 1948 opgerichte festival met veel twintigste-eeuwse muziek kwam er 's zomers een stroom muziekliefhebbers, vrienden, kennissen en collega's naar deze lichtglooiende verstilde streek, die aan zee verloopt in vlakke rietlanden met eindeloze vergezichten.

Daar, aan een riviermond met flinke getijdeverschillen, staat in het voormalige mouterijcomplex van Snape Maltings een eenvoudige concertzaal. Erachter is de Britten-Pears Academie, waar musici masterclasses kunnen volgen. Een eind buiten Aldeburgh ligt in een fraaie ruime tuin Red House, een roodstenen voormalige herenboerderij, waarvan de oudste delen stammen uit de zestiende eeuw. In de bijgebouwen en de bibliotheek, waar Britten vroeger met musici repeteerde, bevindt zich nu een riant gehuisvest documentatie- en studiecentrum, waar Brittens nalatenschap wordt bewaard.

Nog steeds, twintig jaar na de dood van Britten en tien jaar na de dood van Pears, is Red House het informele centrum van het Aldeburgh Festival. De wat rommelige, typisch Engelse inrichting is onveranderd, een portret van Britten op de schoorsteen laat hem hier nog aanwezig zijn. Overal schilderijen, meestal gematigd modern, maar ook een kleine Gainsborough. Op de piano ingelijste foto's van tal van bevriende musici, onder wie Dmitri Sjostakowitsj. Voor en na de concerten worden hier kunstenaars en gasten ontvangen.

Rita Thomson, de voormalige verpleegster die Britten en Pears hier tot hun dood verzorgde en nog altijd het huishouden in Red House bestiert, heeft het er druk mee: warme maaltijden in de eetkamer, tea en sandwiches op het terras, later komt er na wat zoeken Laphroig-whiskey tevoorschijn. Zo roezig en met altijd een rinkelende telefoon was het hier ook vroeger al, zodat Britten en Pears tien mijl verderop in Horham een tweede huis kochten teneinde verzekerd te zijn van rust. En om daar echt geconcentreerd te kunnen componeren, liet Britten in de tuin nog een studio bouwen.

Donald Mitchell, de Engelse musicoloog die nu het huis van Britten en Pears in Horham bewoont, zegt die studio met bijzondere zorg te onderhouden. “Het is een echt componeerhuisje, zoals Mahler die ook had bij zijn zomerverblijven. Britten werkte daar veel: onder andere de opera's Owen Wingrave en Death in Venice zijn er ontstaan, en het Derde strijkkwartet.”

Mitchell, kenner van Brittens muziek en langdurig met hem bevriend, is de samensteller van twee series van elf concerten met muziek van Benjamin Britten en Dmitri Sjostakowitsj, die het komende seizoen, vanaf september, plaatsvinden in het Amsterdamse Concertgebouw. Het is de eerste keer dat op zo'n schaal het werk van deze destijds bevriende componisten met elkaar in verband wordt gebracht.

Mitchell heeft die bijzondere vriendschap van dichtbij meegemaakt: hij werkte met Britten aan het Aldeburgh Festival, waar Sjostakowitsj Britten in Red House bezocht. Mitchell is de beheerder van Brittens nalatenschap en werd door de componist aangesteld als biograaf. Omdat er inmiddels al biografieën over Britten verschenen zijn, heeft hij afgezien van het plan om zelf nog een biografie over Britten te schrijven. “Ik heb grote bezwaren tegen biografieën die een muzikaal oeuvre beschouwen als de levensbeschrijving van een componist, als zou de kunst een vervanging zijn voor de biografie of omgekeerd,” zegt hij.

'Een groot man'

Mitchell wil niet raden en filosoferen, hij gelooft in authentieke bronnen. Vandaar dat hij uit de overvloedige hoeveelheid documenten uit Brittens nalatenschap in Red House (schetsen, manuscripten, dagboeken, documenten en een enorme correspondentie) een 'biografie' samenstelt. Hij heeft, in samenwerking met Philip Reed, inmiddels twee dikke geannoteerde delen met dagboeken en correspondentie uitgebracht, die de jaren 1923 tot 1945 beslaan.

Ook over de relatie tussen Britten en Sjostakowitsj bevat de nalatenschap twee teksten, die nog niet eerder gepubliceerd zijn. Mitchell leest ze voor. Het eerste is een deel uit een manuscript dat Britten in 1966 schreef ter gelegenheid van Sjostakowitsj' zestigste verjaardag.

(-) 'Wat een genoegen toen ik vele jaren later Dmitri ontmoette en ontdekte dat hij als mens even aardig en karakteristiek, even groot en eigentijds is als zijn muziek. Deze ervaring, zoals zovele prettige andere, kwam tot stand door onze dierbare vriend Slawa Rostropowitsj, die, nog meer dan ik, van Dmitri houdt en hem vereert, omdat hij hem beter kent. Wat een opwinding was het te ontdekken dat een zo groot man als Sjostakowitsj toegaf plezier te beleven aan mijn eigen werk, zo verschillend van het zijne, maar veel ervan ontstaan in dezelfde periode, kinderen van gelijke vaders en met veel dezelfde bedoelingen.' (-)

'Ik heb de laatste dagen de partituren gelezen van zijn beste symfonieën, de Vierde en de Vijfde. Ik ben verbaasd dat dezelfde man die beide kon schrijven. De Vierde zo uitgesproken met ideeën en tumultueuze exuberantie, soms uitlopend op wildheid, maar altijd met een muzikaal hart om het te ondersteunen, nooit een leeg of pointeloos gebaar. De Vijfde, zo gecontroleerd, klassiek, netjes zelfs, ondanks zijn energie. Het is zijn muzikale hart dat die twee werken met elkaar verbindt. Maar hoeveel ik ook de symfonieën en de opera's bewonder, voor mij spreekt Sjostakowitsj het dichtstbij en persoonlijkst in zijn kamermuziek. In het leven van elke kunstenaar is er een periode, waarin hij intieme gedachten wil overbrengen aan een paar vrienden, ik bedoel niet zijn echte vrienden, maar mensen die hij niet kent, die een ziel hebben die gevoelig is voor de zijne, mensen op de hele wereld, van welk ras of welke kleur ook.' (-)

'Wat Sjostakowitsj heeft bereikt is geweldig en het is heerlijk te bedenken dat hij nog slechts zestig is en nog vele jaren kan componeren en vreugde, plezier, hoop en sympathie kan verschaffen aan talloze mensen op de hele wereld. Ik groet hem, Dmitri Sjostakowitsj, een groot componist, een groot man, en - ik zeg het met trots - een groot vriend.'

De tweede tekst van Britten dateert uit 1975, toen Sjostakowitsj was overleden. 'Ik ben diep bedroefd over de dood van mijn goede vriend Dmitri Sjostakowitsj. Zijn gezondheid is zó lang zó slecht geweest, dat het een verrassing is dat het verlies van zo'n groot man toch nog komt als een verschrikkelijke schok. We hebben elkaar zeer nagestaan, zoveel jaar, als musici en als mensen. Peter Pears en ik hebben een van de leukste Oudejaarsavonden doorgebracht met Dmitri en zijn familie en Slava Rostropowitsj in zijn datsja buiten Moskou. Hij is de grootste componist die ik ooit de eer heb gehad te kennen.'

Mitchell: “Die twee teksten zeggen al veel over hun relatie. En hoe ironisch: Britten heeft het over Sjostakowitsj, die op zijn zestigste nog vele jaren zou hebben om te componeren, terwijl hij zelf stierf toen hij net 63 was.”

Taalbarrière

De teksten van Britten zijn zelfs de weinige schaarse feiten van werkelijke betekenis die er te vermelden zijn over de relatie tussen Britten en Sjostakowitsj. Voor Sjostakowitsj was Britten een van de belangrijkste eigentijdse componisten, hij was ook de enige westerse componist met wie hij bevriend was. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst in 1959 in Londen, toen Rostropowitsj het Eerste celloconcert van Sjostakowitsj speelde. Daarna waren er bezoeken over en weer.

Britten was in 1962 voor het eerst in Moskou toen hij de première dirigeerde van de voor Rostropowitsj geschreven Cello Symphony. Samen met Pears, die veel bijzonderheden over eten, drinken en cadeautjes vastlegde in zijn dagboek, bezocht hij ook enkele keren de Sovjet-Unie op uitnodiging van Rostropowitsj en zijn vrouw, de sopraan Galina Visjnevskaja. Ook dan zagen ze Sjostakowitsj. In 1969 was Britten in Moskou, ter gelegenheid van de première van Sjostakowitsj' Veertiende symfonie, die aan hem was opgedragen.

Er was, als Rostropowitsj niet als tolk en animator optrad, een grote taalbarrière: Sjostakowitsj sprak geen Engels, Britten geen Russisch. “Voor Sjostakowitsj was het praten met mensen buiten zijn gezin vaak op zichzelf al een probleem, nog los van de censuur. Zelf ontmoette ik hem eens op het festival van Edinburgh in de naoorlogse orthodox-communistische tijd waarin de KGB alles in de gaten hield. Bij een receptie stonden we naast elkaar en ik probeerde een gesprek met Sjostakowitsj te beginnen over Mahler, omdat de KGB daar toch geen kwaad achter kon zoeken. Hij sprak een beetje Duits, maar we kwamen nergens.

“Dat moeilijke praten over muziek gold ook voor Britten. Ik kan me niet herinneren dat ik in al die jaren dat ik hem kende, ooit met hem heb gediscussieerd over zijn muziek. Britten zei, behalve twee losse opmerkingen, ook nooit iets over mijn vaak positieve geschrijf over zijn muziek, dat interesseerde hem niet. Het ging hem alleen om de reactie van de mensen die zijn muziek speelden of hoorden.

“Sjostakowitsj bezocht Britten hier in Red House. Britten toonde hem de schetsen van een van zijn kerkopera's, naar ik meen The prodigal son. Sjostakowitsj bestudeerde ze met grote aandacht. Er werd niets over gezegd, maar hij nam er bijzonder serieus kennis van. Dat was de stille manier, eigenlijk de enige manier, waarop ze met elkaar spraken. Al die onderlinge waardering die blijkt uit hun meningen over elkaar, komt uitsluitend voort uit hun communicatie via het in stilte lezen van hun muziek.”

In Mitchells analyse zijn er drie overeenkomsten tussen Britten en Sjostakowitsj: hun linkse maar vooral humane maatschappelijke en politieke gezindheid, hun niet-avantgardistische muzikale uitgangspunten en hun diepe geloof dat het de plicht van de kunstenaar is met andere mensen te communiceren over het menselijk leven. Voor het overige waren ze individuele kunstenaars, onafhankelijk van elkaar. Ze lieten alleen hun werk tot elkaar spreken.

“Mahler en Berg waren voor hen beiden vaderfiguren, Britten heeft in de jaren dertig nog overwogen bij Berg te gaan studeren. Wat Britten en Sjostakowitsj werkelijk verbond, is dat ze trouw bleven, zij het op niet-orthodoxe wijze, aan het idee van tonaliteit. Ze zworen dat nooit af, ondanks de naoorlogse seriële avant-garde van Darmstadt. Sjostakowitsj en Britten waren in de ogen van de jongeren 'ouderwetse' componisten, die vasthielden aan een afgedaan en uitgeput toonstelsel.

“Ik denk dat als Sjostakowitsj en Britten elkaar in de hemel of waar ook elkaar tegenkomen, ze elkaar zullenfeliciteren met het feit dat ze bij de tonaliteit zijn gebleven. Want tegenwoordig is de Darmstadtschool niet meer was het vroeger dacht te zijn en tonaliteit heeft nog veel te bieden. Britten en Sjostakowitsj lieten de wereld horen dat er nog een heleboel in te zeggen was, zonder gebaren en technieken uit het verleden te kopiëren.

“Beiden stonden open voor nieuwe muzikale technieken. Sjostakowitsj, op wie in Rusland van officiële zijde vaak heftige kritiek was, is wel degelijk beïnvloed door het twaalftoonssysteem van Schönberg, net als Britten. Maar ze kwam daarna met nieuwe ideeën, waarmee ze hun eigen taal konden verrijken. In het grote orkesttussenspel - een Mahleriaans idee - van Our hunting fathers hoor je een sterke invloed van Bergs Wozzeck.

“Dat is het fascinerende van Britten, dat hij een echte Europese meester was en niet zomaar een grote Engelse componist. Dat verraste onlangs het Weense publiek in de Staatsoper bij de eerste Weense uitvoering van Peter Grimes, 51 jaar na de première. Natuurlijk was Britten Engels, dat blijkt ook uit de behandeling van de Engelse taal, die een krachtig stempel op zijn muziek drukt. Maar toch stijgt die Europese dimensie daarboven uit, dat zal ook blijken uit de Britten-Sjostakowitsj-serie in Amsterdam. Die gezamenlijke 'vaderfiguren' van Britten en Sjostakowitsj waren Europeanen, vooral Mahler, Berg en Strawinsky. En voor Britten was Sjostakowitsj zelf ook een vaderfiguur, vanwege het leeftijdsverschil van zeven jaar.”

Muzikale vernieuwing

Benjamin Britten was in ons land de eerste tien jaar na de oorlog buitengewoon geliefd, hij was persoonlijk aanwezig in vele Holland Festivals, waarin zijn muziek en zijn opera's werden uitgevoerd. Sindsdien wordt hij hier slechts zelden uitgevoerd. Hoewel Britten in Engeland nooit van de programma's verdween, was er daar een soortgelijke reactie. Mitchell: “Ik heb zelf veel les gegeven, maar Britten was de enige voor wie ik hier in zijn eigen land geen interesse kon kweken. Als ik 'Britten' zei, was het alsof bij de studenten de knop werd omgedraaid. Voor Britten zelf waren zijn laatste jaren ook vreemd, hij voelde zich in de kou gezet. Er is ook een conjunctuur in waardering van kunst. Inmiddels vindt een componist van de jongere generatie als Oliver Knussen, de artistiek leider van het Aldeburgh Festival, Britten juist weer een bron van inspiratie.

“Britten schreef een grotere variëteit aan muziek dan Sjostakowitsj, bijna geen symfonieën, slechts drie kwartetten. In de balletmuziek The Prince of the Pagoda's klinkt de invloed van het oosten, na zijn bezoek aan Indonesië en Japan. Dat is erg onbekend, Britten sprak er niet over, hij zei nooit iets interessants, hij legde niets uit en dus lette niemand erop. Maar Britten was in zijn muzikale opvattingen bijzonder vernieuwend en vrij.

“Het is ook geen toeval dat Sjostakowitsj in het midden van zijn Veertiende symfonie ondanks al zijn problemen met Russische autoriteiten, die hem de officiële Sovjetmoraal wilden opdringen, via het gedicht O Delvig, Delvig van Wilhelm Küchelbecker een saluut brengt aan de vrijheid, die kunstenaars genieten, samen vieren en in stand houden. 'De kracht van de tirannen verschrompelde. O Delvig, Delvig, wat is vervolging? Onsterfelijkheid is de beloning voor moedige, geïnspireerde daden en zoet gezang.'

“Dat gedicht was een boodschap aan Britten: 'ik, Sjostakowitsj, ben een vrij kunstenaar. Onuitgesproken weten wij voor onszelf dat wij vrij zijn, ik hier in Rusland net zo als jij daar in Engeland.' Na de première in Moskou werd de Veertiende symfonie ook uitgevoerd in Aldeburgh, gedirigeerd door Britten. Daarna droeg Britten The prodigal son, waartoe hij was geïnspireerd door het zien van Rembrandts schilderij De verloren zoon in het toenmalige Leningrad, op aan Sjostakowitsj.”