Bloemenschilderijen goedkoper dan bloemen

Tentoonstelling 'Dutch Flower Painting 1600 - 1750'. Dulwich Picture Gallery, College Road, Dulwich Londen. Di-vr 10-17u, za 11-17u, zo 14-17u

In januari 1993 werd aangekondigd dat de kunstgalerij van het zuid-Londense Dulwich haar deuren voorgoed zou sluiten. De Britse regering had zich niet ontvankelijk getoond voor noodkreten van het bestuur en zonder financiële steun viel het museum niet langer te exploiteren. De aanstaande sluiting van de Dulwich Picture Gallery bracht een storm van verontwaardiging teweeg.

Waar de regering in gebreke bleef, schoten particulieren te hulp. Lord Sainsbury, de kunstminnende miljonair die eerder de bouw van een nieuwe vleugel aan de National Gallery mogelijk had gemaakt, trok zijn cheque-boek en trad toe tot het bestuur.

De Dulwich Picture Gallery bracht in de afgelopen drie jaar niet alleen de miljoenen bijeen die nodig waren om open te blijven, maar ontwikkelde meteen een beleidsplan om het voortbestaan van het museum veilig te stellen. Een actief tentoonstellingsbeleid werd daarbij noodzakelijk geacht.

Dat de reanimatie van het vervallen museum op dit punt voortvarend wordt aangepakt, blijkt deze zomer uit een prachtige tentoonstelling van Nederlandse bloemstillevens.

De tentoonstelling omvat 31 schilderijen en enkele vitrines met oude boeken en prenten. Niet bijster groot, maar toch neemt een bezoek aan de vier tentoonstellingszaaltjes gemakkelijk anderhalf uur in beslag. De doeken van zeventiende-eeuwse meesters als Jan Davidsz, De Heem, Willem van Aelst, Simon Verelst en Jan van Huysum zijn zonder uitzondering van hoge kwaliteit. Tussen de bladeren, bloemknoppen, dauwdruppels en stengels gebeurt van alles: een spin verschalkt een vliegje, een verdord blad dreigt te vallen, een slak trekt een slijmspoor, een mier wandelt over een geknakte korenaar.

Eén van de talrijke toepassingen van de bloem is die als vergankelijkheidssymbool, in verwelkende staat. De sierlijke horloges die veelvuldig naast bloemenvazen werden afgebeeld lijken in diezelfde richting te wijzen. In de catalogustekst komt ook een andere zienswijze aan bod. Paul Taylor schrijft dat uurwerken in bloemstillevens niet moeten worden opgevat als waarschuwende verwijzingen naar de sterfelijkheid, maar juist naar de overwinning van de vergankelijkheid. De schilder is er immers in geslaagd de bloemen het eeuwige leven te geven.

De catalogus besteedt verder veel aandacht aan de ontwikkeling die het bloemstilleven doormaakte in de laatste jaren van de zestiende eeuw. Vóór die tijd hadden schilders weinig belangstelling voor bloemen getoond. Het genre maakte opgang nadat 'nieuwe' bloemsoorten als de tulp, anemoon, hyacinth en krokus in de loop van de zestiende eeuw hun intrede hadden gedaan in Europa.

Schilders die op het idee kwamen deze luxe goederen in olieverf te vereeuwigen deden goede zaken, want: 'Bloemstillevens waren doorgaans goedkoper dan de bloemen die erop stonden afgebeeld.'

Aan het bezit van exotische bloemen - met name tulpen - werd prestige ontleend. Dat blijkt ook uit het 'Florilegium' dat tulpenhandelaar Emanuel Sweert in 1612 uit liet geven. Het boek bevat louter illustraties van exotische bloemen en deed dienst als catalogus. Door speculatie werden de prijzen van tulpen steeds hoger opgedreven en in februari 1637 stortte de markt dramatisch ineen. Een prent met de titel 'Floraes Geck-kap' drijft de spot met de slachtoffers van deze 'tulpomanie'. Er zouden in Nederland overigens nieuwe perioden van bloemengekte aanbreken: in 1733 werd een hyacinth voor 1600 gulden verkocht.

Pronkstuk van de tentoonstelling is een groot bloemstilleven van Simon Verelst dat tot voor kort aan Rachel Ruysch werd toegeschreven.

De opbrengsten van de National Lottery zullen nodig zijn om Dulwich aan moderne voorzieningen te helpen. Een museumwinkel, kantoor, cafetaria en auditorium zijn slechts in geïmproviseerde vorm voorhanden. Het pand waarin de werken van Rembrandt (o.m. het beroemde 'Meisje aan het venster'), Hals, Van Dijck, Rubens, Poussin, Murillo en Canaletto zijn ondergebracht heeft sinds 1814 nauwelijks veranderingen ondergaan. Dat ouderwetse karakter heeft iets gemoedelijks. Er is geen intercom die tegen sluitingstijd de bezoekers in vier talen oproept zich naar de uitgang te begeven. De portier loopt eenvoudigweg naar de centrale zaal en klingelt als een ijscoman een paar keer met een zware koperen bel.