Pensioen is meer dan geldkwestie

In de discussie over de verplichte winkelnering bij bedrijfstakpensioenfondsen worden vaak manke vergelijkingen en onzuivere argumenten gehanteerd. Verplichte winkelnering bij bedrijfstakpensioenfondsen houdt in dat in sommige bedrijfstakken bedrijven verplicht zijn deel te nemen aan de pensioenregeling van het bedrijfstakpensioenfonds. Die verplichting riekt naar betutteling en overheidsbemoeienis.

Maar wat is er nu eigenlijk aan de hand? Schaf de verplichte winkelnering af en de tucht van de markt zorgt voor hogere rendementen, is een steeds vaker gehoord argument om de 'suffer en minder alert beleggende' bedrijfstakpensioenfondsen onderuit te halen. Stel nu eens dat het opheffen van de verplichting inderdaad leidt tot lagere premies ten gevolge van de toegenomen concurrentie. Is dat dan een reden om de verplichtstelling maar helemaal af te schaffen?

Deze vraag kan pas worden beantwoord als eerst een principiële keuze is gemaakt met betrekking tot een ander kenmerk van de verplichtstelling: de solidariteit. Bij een verplichtgestelde pensioenregeling die geldt voor een gehele bedrijfstak bevat de premie een zogenaamde solidariteitsheffing. Een voorbeeld. Bedrijf A is een bedrijf met overwegend jongere werknemers, bedrijf B een bedrijf met overwegend oudere werknemers. Alle bedrijven in de bedrijfstak betalen dezelfde procentuele pensioenpremie aan het bedrijfstakpensioenfonds, dus A betaalt procentueel evenveel pensioenpremie als B, ondanks het feit dat een gulden pensioen voor de oudere werknemers van B veel duurder is dan voor de jongere werknemers van A. Met andere woorden: A is solidair met B.

De principiële vraag die zowel werkgevers als werknemers zich zouden moeten stellen is in hoeverre men bereid is om binnen de bedrijfstak solidair met elkaar te zijn als het gaat om de pensioenpremies. Indien gekozen wordt voor een volledige solidariteit, kan en mag de verplichtstelling niet worden opgeheven. Bedrijven met een relatief jong werknemersbestand zouden in dat geval wel erg snel in de verleiding kunnen komen om over te stappen naar een voor hen goedkoper alternatief. Het gevolg van deze overstap zou dan zijn dat het bedrijfstakpensioenfonds vergrijst, waardoor de premies omhoog moeten. Een verdergaande leegloop is het gevolg. Alleen als gekozen wordt voor géén of beperkte solidariteit, is de verplichtstelling niet langer zinvol.

De stelling dat verzekeraars door de marktwerking hogere rendementen zouden behalen mag in deze fudamentele discussie (nog) geen rol van betekenis spelen. Een pensioenvoorziening is méér dan alleen een financiële zorg. Eerst moet duidelijkheid komen over de gewenste mate van solidariteit. Pas daarna zijn de prestaties van de verschillende pensioenaanbieders aan de orde.