Natte archeologie

Niet alleen de landschapsbeschermer, ook de archeoloog maakt zich zorgen over het behoud van de wetlands. Ze vormen een schatkamer aan informatie over vroege beschavingen.

Nog niet zolang geleden waren wetlands voor geografen niet meer dan 'overgangsgebieden tussen nat en droog'. Daar sprak weinig waardering uit voor de grote variëteit aan karakteristieke, van water vergeven landschappen die dit begrip omvat: mangrove- en andere vloedbossen, toendra's, rivierdelta's en estuaria, uiterwaarden, beekdalen, poelen, moerassen en venen. Inmiddels heeft een herwaardering van wetlands plaatsgevonden, vooral ingegeven door de erkenning van het belang van hun natuurlijke uitbundigheid en hun vaak nog min of meer ongerepte staat. De waardering neemt niet weg dat wetlands, ongeveer zes procent van het aardoppervlak, wereldwijd op grote schaal worden bedreigd.

Steeds vaker laten ook archeologen zich horen als wetlands in het geding zijn. Want bij alle opwinding over ongereptheid, natuurlijke diversiteit en rijkdom blijft een ander belangrijk aspect van wetlands onderbelicht: de natuurlijke rijkdom van wetlands heeft altijd als een magneet op mensen gewerkt. Wat voedselvoorziening betreft stelden wetlands nooit teleur en er lag een overvloed aan bouwmateriaal en brandstof voor het grijpen: riet, klei of leem, hout, turf en zo meer. Risico's als wateroverlast werden daarom graag voor lief genomen. Bij deze omstandigheid komt nog eens dat wetlands een goed conserverend vermogen bezitten voor archeologische overblijfselen. En dan met name ook voor organisch materiaal dat in een zanderige ondergrond in korte tijd vergaat.

In tegenspraak met de archeologische waardering staat het aantal archeologen dat zich volledig op onderzoek van wetlands heeft gericht. Wie bij voorbeeld een lijstje van Noordwest-Europese specialisten op dit terrein moet samenstellen, is gauw klaar. Bovenaan staat het Britse echtpaar John en Bryony Coles. John Coles, oud-directeur van de beroemde Somerset Levels opgravingen, is voorzitter van het Fenland Project en van de North-West Wetlands Survey. Bryony Coles is verbonden aan de Universiteit van Exeter in Zuidwest-Engeland.

Exacter

In zijn lezing From the waters of oblivion (1991) vergeleek John Coles de mogelijkheden van wetland-archeologie met die van 'droge' archeologie. Conservering van organisch materiaal betekent, aldus Coles, dat het mogelijk is het landschap te reconstrueren waarin de mensen ooit leefden. Omdat ook de dierenwereld aan bod komt, kan dat stukker exacter dan met gissingen op basis van geologische gegevens, en completer dan met alleen het determineren en tellen van fossiel stuifmeel. Dendrochronologie aan geconserveerd hout levert nauwkeurige data op voor de kap van gebruikt hout. Daarmee valt de chronologie van een nederzetting precies te reconstrueren want bouw, uitbreiding, reparaties en verval kunnen in de tijd worden gevolgd. Met het organisch materiaal uit wetland-sites is het verder mogelijk te achterhalen hoe de economie eruit zag, op welke dieren werd gejaagd, welke dieren werden gehouden, wat er aan gewassen werd verbouwd, wat men niet verbouwde maar wel verzamelde, hoe voorraden waren aangelegd, waar dat gebeurde, hoe die werden beheerd en bovendien hoe voedsel werd bereid.

Haar en nagels

Van de mensen zelf blijft de kleding soms bewaard, en ook hun haar en nagels. In veen is de conservering nog vollediger. De veenlijken geven een ongekend inzicht in zaken als uiterlijk, gezondheid en ziekte. Dit terwijl in een zanderige bodem van een begraving niet meer overblijft dan een subtiele verkleuring van de grond, een lijksilhouet. Wetland-archeologie, stelt John Coles, biedt in vergelijking met archeologie van droge vindplaatsen een veelomvattender beeld van mensen en hun activiteiten in het verleden. En dat komt goed uit sinds in zijn algemeenheid de archeologische blik is verschoven van 'schatten' en potten en pannen naar de mensen daarachter en hun leven van alledag.

In Nederland ziet elke archeoloog zich vroeg of laat met een wetland-site geconfronteerd. In ons land opereerde slechts één echte expert op dit terrein: dr. W.A. Casparie, verbonden aan het (voormalige) Groningse Biologisch-Archeologisch Instituut (BAI). Casparie kwam via een omweggetje met wetland archeologie (in zijn geval veenarcheologie) in aanraking. “Van huis uit ben ik bioloog. In 1972 promoveerde ik op een onderzoek naar de ontwikkeling van het veengebied in Zuidwest-Drenthe. In veen kom je houten wegen tegen maar niemand wist hier wat je met dat hout moest doen. Dus ben ik dat gaan determineren en beschrijven. Zo is geleidelijk aan ook houtonderzoek op gang gekomen. Veen en hout, dat zijn de lijnen waarlangs zich mijn werk heeft ontwikkeld.”

Verzameling van gegevens over gebruik van hout, van soorten hout en kapdata leidde onder meer tot het inzicht dat er al vroeg aan bosbouw moet zijn gedaan. Casparie: “Neem de fuiken van Bergschenhoek. (Een vindplaats in Zuid-Holland gedateerd op 4.300 voor Christus, ThH.) Die zijn op het BAI gedetermineerd: ze waren gemaakt van eenjarige takken van kornoelje. Kornoelje komt van nature voor in dat toenmalige type venige kleilandschappen. Maar als je een aantal fuiken wilt maken, heb je tienduizenden twijgen nodig. Je zoekt je een ongeluk om die bij elkaar te krijgen. Dan is het veel gemakkelijker om de struiken bij elkaar te zetten en ze dan zo te beheren dat ze die lange teen geven. Daarvoor moet je echter snoeien en ik ben ervan overtuigd dat de fuikenmakers van Bergschenhoek dat deden. Ik heb bovendien het sterke vermoeden dat ze de heesters die ze nodig hadden bij elkaar hebben gezet.”

Een ander voorbeeld van bosbouw dook op bij de prehistorische veenweg van Nieuw Dordrecht. Bij een opgraving kon Casparie onderzoek doen naar de samenstelling van het bos in de buurt en hij legde daar de gegevens over de kap van het hout naast. Toen bleek dat ongeveer 2.430 voor Christus in deze buurt op grote schaal werd gekapt door mensen er al 1.000 jaar woonden. En duidelijk werd ook dat dat om de 62 tot 63 jaar gebeurde. Casparie: “Ik denk daarom dat er al in het Neolithicum systemen van bosbeheer waren, misschien nog niet echt doordacht maar wel voortkomend uit omgang met de omgeving.”

Het toewerken naar dit soort conclusies is mogelijk omdat veen hout zo uitstekend conserveert. Normaal gesproken komt in dood hout het proces van humusvorming op gang waarbij afbraakorganismen als bacteriën en schimmels een belangrijke rol spelen. Schimmels tasten hout zeer snel aan omdat ze de houtstructuur kunnen volgen en dus makkelijk gebruik kunnen maken van de anatomische holtes in hout. En ook wormpjes en insecten eten hout. Komt hout op veen terecht, dan hoeft er geen humusvorming plaats te vinden. Veen groeit omhoog en bedekt wat er op ligt. Als die bedekking vlug genoeg verloopt, blijft wat er oorspronkelijk op lag bewaard. Casparie: “Dat is ook een beetje de tragiek van de veenweg. Het veen zakt onder het gewicht van de weg in en wordt de natste plek van het gebied. Uitstekend voor veenvorming maar niet voor het doel waarvoor de weg werd aangelegd.”

Boterzacht

Een tweede belangrijke factor in het conserverend vermogen van hoogveen is het water. Water in hoogveen is zuurstofarm en zeer zuur. Zo zuur dat biologische activiteit tot stilstand komt. Wel kan de chemische afbraak van hout doorgaan: het oplossen van de cellulose- en andere verbindingen door de zwakke zuren van het sterk zure veenwater. De structuur blijft dan nog wel zichtbaar maar het hout wordt op den duur boterzacht.

Uitdroging is vijand nummer één van wetlands. Uitdroging verandert de natuurlijke karakteristiek van het landschap, de bodem daalt sterk door inklinking, biologische diversiteit en rijkdom verdwijnen. De uitwerking op organische archeologische resten is desastreus. Er komt een inhaalmanoeuvre van de vergankelijkheid op gang. Om het bij veen en hout te houden: uitdroging van veen betekent dat het water, nodig om de zuurstof uit het hout te houden, verdwijnt. Helemaal droog wordt hout echter niet gauw. Het blijft vochtig en juist dat is een biologisch zeer rijk milieu en werkt als een magneet op afbraakorganismen. Casparie: “De houten veenweg bij Smilde, aangelegd ongeveer 200 voor Christus, is heel snel in het veen onder water gekomen. Het hout was goed geconserveerd, maar toen het veen eenmaal droogviel... Elzenhout was het, en als je dat aanraakte viel het als droge poeder uit elkaar. Humus.”

Het opnieuw vernatten van verdroogde wetlands heeft maar gedeeltelijk zin. Als het met kennis van zaken wordt aangepakt is de kans groot dat flora en fauna er weer bovenop komen: de natuur bezit een sterk regenererend vermogen. Maar of de organische, archeologische overblijfselen daar baat bij hebben is zeer twijfelachtig. Casparie: “Ook al verdwijnen ze opnieuw onder de waterspiegel, er bestaat geen 100% waterverzadigde situatie meer. In met zuurstof gevulde holtes kunnen micro organismen zich handhaven en dan gaat de afbraak gewoon door.”