Laat Nijmegen een gezellige achterdeur blijven

Waarom kost het moeite zich te vereenzelvigen met Nijmegen? Ik woon nu al 34 jaar in de Waalstad en toch blijf ik afstand voelen. Zo gaf het me onbegrijpelijk veel voldoening dat onlangs bij een gastcollege in Leiden de studenten mij aan mijn spraak ontmaskerden als een geboren en getogen Hagenaar.

Vanzelf sluipt er 'toch' en 'eigenlijk' in het taalgebruik als we over de heerlijkheden van Nijmegen spreken. Wat ze ook in Maastricht beweren, Nijmegen is toch maar de oudste stad van het land. Het staat al onder de naam Noviomagus op de Tabula Peutingeriana, een Romeinse wegenkaart uit de vierde eeuw na Christus. Waar in Nederland kun je in de openlucht hergebruikte Romeinse zuilen zien zoals in de ruïne van de Barbarossakapel op het Valkhof? En daar hebben we ook de Karolingische, eigenlijk Ottoonse, kapel van omstreeks 1000. Er lijkt alle reden om in te stemmen met Smetius' Latijnse spreuk die parmantig op een balustrade van het Valkhof is aangebracht. 'Welke plaats kun je me geven die dit alles te bieden heeft?' Ooit was Nijmegen het doelwit van uitstapjes. Met zijn - als je goed telt - zeven heuvels is het al een beetje buitenland binnen de grenzen.

Er is iets triests in de roem van Nijmegen. Het is niet alleen vergane glorie die de trots van de stad uitmaakt, ook de eigentijdse reputatie is van een bedenkelijk soort. Wat voert een Nijmegenaar aan als argumentatie voor het bijzondere van zijn stad? De Vierdaagse. “Never heard of The International Four-Day Marches?” Het doet even pijn als dit evenement niet wereldvermaard blijkt te zijn. Nog onbehaaglijker wordt de situatie als je aan een vreemdeling moet gaan uitleggen wat de Vierdaagse is. “Zo, leggen dertig- à veertigduizend mensen in vier etmalen ommetjes af van in totaal tweehonderd kilometer. What's the fun of it? Waarom komen ze in hemelsnaam helemaal naar die stad als ze de aanvechting voelen voor zo'n loopexplosie?”

Op zulke sceptische vragen is het moeilijk antwoorden. Deelnemers, die zelfs vanuit Japan komen, beweren dat de schoonheid van Nijmegens dreven hen beloont voor hun kuierinspanning. Vanuit persoonlijke ervaring kan ik echter berichten dat je tijdens de Vierdaagse voor en naast je niet veel meer ziet dan de bezwete lijven van wandelaars die toevallig dezelfde kant opgaan. Ja, ook ik heb meegedaan, in een poging tot inburgering, en wel twee keer. De eerste maal ging het om de prestatie, de tweede bewees dat de eerste keer geen toeval was. Sindsdien ben ik op mijn Vierdaagsekruis - met kroontje - gaan rusten.

Hoe komt Nijmegen in de actualiteit, behalve door het obligate blarennieuws? Twee plannen hebben de afgelopen maanden de kolommen van deze krant gehaald: de herbouw van het Valkhof en de kabelbaan die het nieuwe Overwaalse stadsdeel moet verbinden met het centrum. Dit laatste idee hoort thuis op de gemeentelijke rommelzonder waarop nog menig maquette moet staan van burgerontwerpen voor herbouw van de benedenstad. Tientallen jaren kon de lokale politiek maar niet tot overeenstemming komen over de reconstructie van dit vervallen stadsdeel. Er was zoveel mogelijk dat het moeilijk was om tot een besluit te komen. Handvaardige burgers gingen aan de slag en knutselden maquettes: ik herinner mij een kolossale Bijlmermeerflat van brug tot brug en een aandoenlijk pretpark met een gigantische achtbaan. Achteraf kunnen we blij zijn over het gebrek aan doortastendheid, want nu kan Nijmegen prat gaan op een benedenstad die niet wordt ontsierd door parkeergarages en kantoorkolossen. Het geheim van een geslaagde reconstructie is heel simpel: er wonen gewoon veel mensen bij elkaar, waardoor de stad een levend centrum terugkreeg. Midden in de stad zie je kinderen op weg naar school. Gezegend zij de wet van de versnellende achterstand die Nijmegen een kloppend hart heeft gegeven.

In de Nijmeegse traditie van moeizame besluitvorming moet het voornemen om na tweehonderd jaar de burcht te herbouwen kansrijk worden genoemd. Dat de hartstochten hoog oplaaien moet maar worden geduid als grote betrokkenheid van burgers bij hun stad. De meest infame beschuldigingen zijn geuit aan het adres van professor Bosmans, de beminnelijke voorzitter van de historische vereniging Numaga, die voor herbouw is. Het Valkhofpark, waar geen eerzame burger zich na zonsondergang waagt, bleek opeens een unieke cultuurhistorische waarde te hebben. Een verantwoorde reconstructie zou onmogelijk zijn ondanks de talrijke geschilderde gezichten op Nijmegen van over de Waal, waarop kasteel en Stevenstoren het silhouet van de stad uitmaken. Hoe goed doet het niet in het Moskouse Poesjkinmuseum zo'n Jan van Goyen te zien. Ik verheug me erop dat over luttele jaren de treinreiziger weer het authentieke Nijmegen ziet aankomen.

Een echte fata morgana is evenwel het plan om een systeem van openbaar vervoer met luchtschuitjes op te zetten. Hierbij scharen stadsbestuurders zich bij de Nijmeegse modelbouwers in hun hobbyruimtes. Verbeeldingsrijk is het plan zeker wel, maar er zijn zoveel ongewisse factoren dat een economisch kwetsbare stad als Nijmegen zich het niet kan veroorloven een financiële molensteen om de hals te hangen. Nijmegen is geen Amsterdam, dat weet dat uiteindelijk de staat voor onverwerkbare tekorten zal opdraaien. Als het al waar is dat Europese fondsen staan te popelen om de aanleg van een revolutionair vervoersysteem te bekostigen, is de gedachte aan de mogelijke exploitatieverliezen huiveringwekkend. Want hoe massaal zullen de mensen gaan zweven? Natuurlijk heeft een enquête onomstotelijk vastgesteld dat Nijmeegse burgers best wel de palen willen ingaan om in de skilift te komen. Och, voor een keer willen we allemaal wel eens de sensatie van het pretpark, maar niet als vorm van openbaar vervoer. Mijn contra-expertise is doorslaggevend: mijn bejaarde moeder zal voor geen geld ter wereld de pylonen ingaan.

Profiterend van de aandacht voor de Vierdaagse en de Zomerfeesten afficheert 'mijn' stad zich als 'De voordeur van Europa'. Wat mij betreft, blijve Nijmegen liever de gezellige en fraaie achterdeur. Het herstelde stadspanorama dient niet te worden bekrast door een permanente kermisattractie. De Valkhofburcht mag er komen, maar de kabelbaan moet een luchtkasteel blijven.