Koolmezen leren snel achter welke kleur de vieze smaak schuilt

Koolmezen die hebben geleerd dat een met vet gevuld stukje roggestro met een bepaald stippenpatroon vies smaakt, beschouwen daarna alle andere stukjes stro, en ook amandelen met hetzelfde patroon, als oneetbaar. Daarmee is een oude theorie van de geneticus R.A. Fisher bevestigd.

In 1930 postuleerde deze dat waarschuwingskleuren (eet mij niet, ik smaak vies!) in combinatie met oneetbaarheid in de evolutie zijn ontstaan in bij elkaar levende groepen individuen. Als de predator dan één dier met een bepaalde waarschuwingskleur doodt en als oneetbaar beschouwt, zal hij de andere dieren in de groep wel met rust laten. Het toeval wil echter dat dezelfde waarschuwingskleuren bij heel verschillende diersoorten voorkomen. Als een predator eenmaal een waarschuwingskleur heeft geaccepteerd zou het voor andere diersoorten voordelig zijn dezelfde waarschuwingskleuren te ontwikkelen. De vraag was verder of de predatoren de kleuren steeds opnieuw leren, of dat de afkeer van prooien met bepaalde kleuren genetisch is vastgelegd. De theorie was omgeven met controverses.

Rauno Alatalo en Johanna Mappes van de universiteit van Jyväskyiä in Finland onderzochten het probleem door koolmezen geheel nieuwe prooien aan te bieden, zodat ze aan genetische informatie niets hadden (Nature, 22 aug.). Ze vulden stukjes van 6 millimeter roggestro voorzien van papieren vleugeltjes met vet en merkten die met twee verschillende zwart-wit-vlekkenpatronen. Het vet in strootjes met een van de patronen kreeg een bitter smaakje door het bijmengen van kinine. Koolmezen houden daar niet van. Van de strootjes met het andere patroon was tweederde lekker en eenderde bitter. Na de eerste dag lieten de vogels strootjes met het kininepatroon veelal liggen. De prooi met het goede waarschuwingssignaal had een grotere overlevingskans na de eerste dag als hij solitair voorkwam, maar was hij onderdeel van een groep, was de overlevingskans zelfs op de eerste dag al veel groter. Om aan te tonen dat evolutie van hetzelfde patroon in een andere prooi bescherming biedt, schilderden de onderzoekers hetzelfde stippenpatroon op stukjes amandelen van 6 bij 6 millimeter. De mezen lieten de amandelen met het patroon van de bittere strootjes liggen.