Jacht vermindert gewasschade niet

De nieuwe Flora- en faunawet, waaraan de laatste hand wordt gelegd, is een hele stap vooruit, vindt E. Knegtering. Alleen jammer dat het kabinet nog steeds lijkt te denken dat jacht nuttig zou kunnen zijn voor natuur en landbouw.

Vlak voor de zomer liet minister Van Aartsen (Landbouw, Natuurbeheer en Visserij) weten wat hij wil met de jacht in Nederland. Zijn voornemens staan in de Memorie van Antwoord en Nota van Wijziging op het voorstel Flora- en faunawet, dat nog van zijn voorgangers afkomstig is. Tweede-Kamerleden moeten Van Aartsens wijzigingen voor 1 oktober becommentariëren ten behoeve van het Eindverslag.

De Tweede Kamer vroeg al in 1977 om een integrale wet als de Flora- en faunawet. Onder meer de Jachtwet 1954 moet erin opgaan. De huidige minister heeft het oorspronkelijke voorstel aanzienlijk verbeterd. Het is nu inzichtelijker, consistenter en het doet meer recht aan maatschappelijke opvattingen over jacht. Jammer is alleen dat Van Aartsen niet volstaat met de vaststelling dat jacht gewoon een omstreden vorm van recreatie is. Een tijdverdrijf waar je voor of tegen kunt zijn. Nog te veel lijkt hij mee te gaan met het idee dat jacht nuttig zou kunnen zijn voor natuurbeheer en landbouw.

Bioloog prof.dr. H.H.T. Prins heeft in deze krant (28 februari) al duidelijk gemaakt dat de natuur in feite geen jagers nodig heeft. Dat dieren 'degeneratie' moet worden bespaard, dat hun stand 'gezond' moet worden gehouden of dat schommelingen van hun aantallen moeten worden voorkomen, zijn op de eerste plaats menselijke verzinsels. Als al duidelijk is wat deze denkbeelden precies beogen, draagt jacht vaak niet eens bij tot het bereiken van die doelen. Zo interpreteer ik zijn betoog.

Ik zal hierna ingaan op een mogelijke rol van jacht voor de landbouw. Dat bepaalde zoogdieren en vogels gewasschade veroorzaken is geen verzinsel. Op landelijke schaal is het een bescheiden probleem en er bestaat een systeem voor schadevergoedingen. Toch kan het voor een boer wel vervelend zijn. Maar kùnnen lokale jagers in hun vrije uren gewasschade wel doeltreffend reduceren en zijn zij ook nog de meest aangewezenen om aan te geven hoe?

Van Aartsen denkt dat jagers hun nut wel kunnen bewijzen. Eenvoudig gezegd komen zijn voorstellen op het volgende neer. Uit puur recreatieve motieven mag nog maar op 6 diersoorten worden geschoten: wilde eend, fazant, patrijs, houtduif, haas en konijn. Dit is een opmerkelijke beperking en het betreft alleen nog soorten die het gehele jaar in Nederland voorkomen. Andere soorten kunnen slechts onder voorwaarden worden geschoten in het kader van natuurbeheer of schadebestrijding.

Van lokaal georganiseerde jagers kan daarbij worden verlangd dat zij eerst 'faunabeheerplannen' presenteren. Gedeputeerde Staten toetsen deze plannen aan voorwaarden die in algemene maatregelen van bestuur te vinden zullen zijn. Deze maatregelen kunnen door een minister worden vastgesteld. Verder dienen Gedeputeerde Staten - in sommige gevallen de minister - eerst af te wegen of er geen andere bevredigende oplossing is om het probleem aan te pakken, voordat ze een soort als bejaagbaar aanmerken.

Maar welke rol kunnen lokaal georganiseerde jagers nu eigenlijk spelen bij het beperken van gewasschade en welke betekenis moet aan hun plannen worden gehecht? Ik ken geen literatuur over het verband tussen jacht op gewasbeschadigende dieren en de mate waarin daarmee de (financiële) schade voor de boer wordt beperkt. Dicht bij huis, met het AGRALIN-informatiesysteem van het ministerie van LNV en de Landbouwuniversiteit Wageningen, kon ik in elk geval geen titels vinden. Dit bestand bevat landbouwliteratuur van onder meer de Wageningse universiteitsbibliotheek en zo'n zeventig andere bibliotheken.

Wat ik wel weet, is het volgende. Het RIN (thans: IBN), een onderzoeksinstituut van - alweer - LNV, vond dat verwijdering van kraaien niet leidde tot lokaal kleinere aantallen. De onderzoekers spreken zelfs van “dweilen met de kraan open”. Een algemeen geldend negatief verband tussen bestrijding van schadelijk geachte soorten en hun plaatselijke aanwezigheid is er dus niet.

Biologen in België stelden vast dat in een gebied aantallen ganzen toenamen, terwijl de ganzenschade afnam. Een algemeen geldend positief verband tussen aantallen dieren en de mate van schade is er dus ook al niet.

Met andere woorden: jacht hoeft nog niet te betekenen dat het aantal dieren plaatselijk vermindert, en als dat wel zo zou zijn, betekent dat nog niet dat er minder schade zal optreden. Zeker is dat het jachtgeweer geen joystick is, waarmee eenvoudig de omvang van gewasschade kan worden gestuurd.

Belangrijk is ook dat van jagers en Gedeputeerde Staten niet mag worden verwacht dat zij de (agro)biologische expertise bezitten om over deze gewasbeschermingsproblematiek zinvolle uitspraken te doen. Bovendien hebben jagers belang bij jacht. Hun plannen zullen alleen daarom al aan twijfel blootstaan en de provincies zullen de plannen niet vanuit deskundigheid kunnen toetsen. Evenmin zullen de provincies goed kunnen afwegen of jacht op bepaalde soorten wel echt nodig is. Zelfregulering en decentralisatie gaan hier ten koste van geloofwaardigheid.

Als jagers per se toch een nuttigheidslegitimatie moet worden gegund, kan dat beter door (een van de) onderzoeksinstituten van LNV te laten inschatten of en wanneer jacht op bepaalde soorten schadereductie oplevert (zoals ook het RIVO - en niet de vissers - visserijadviezen geeft). In de Flora- en faunawet kan worden vastgelegd dat de minister en Gedeputeerde Staten deze desnoods periodieke adviezen moeten meenemen, wanneer aanwijzing van schadelijke soorten wordt overwogen en wanneer eisen worden gesteld aan faunabeheerplannen.

Van Aartsens vooruitstrevende jachtvoorstellen zijn dus nog wel voor verbetering vatbaar. Toch zullen ze ongewijzigd al een veel duidelijker jachtwetgeving opleveren dan Nederland decennialang heeft gekend. Zoiets mag van mij ook in de krant.