Istanbul: Minirok en hoofddoek naast elkaar voor het stoplicht

Onze correspondenten berichten met nieuwsgierige verwondering en per definitie met enige afstandelijkheid over hun eigen land of gebied. Deze zomer leggen ze hun journalistieke distantie even af en onthullen ze hun favoriete toevluchtsoord.

De Turkse dichter Yahya Kemal Beyatli heeft het treinstation van Ankara ooit tot het mooiste plekje van die stad uitverkoren: van daaruit kon hij terugreizen naar zijn geliefde Istanbul. Sinds Ankara in 1923 de hoofdstad werd van de nieuwe Turkse republiek kijken de bewoners van Istanbul met een zekere neerbuigendheid op Ankara neer. Ze vinden Ankara een grauwe ambtenarenstad, die je het liefst zo snel mogelijk weer ontvlucht. Ook al zetelt de regering er, hebben banken er hun hoofdkantoor, is de lucht door het omvangrijke aardgasnet schoner dan in menig andere Turkse stad en is het leven er relatief goedkoop, Istanbul was en is het kloppende hart van de natie. Daar wordt het geld verdiend en uitgegeven, bevinden zich de toonaangevende theaters en hebben spraakmakende muziek- en filmfestivals plaats, worden boeken en kranten gedrukt en richten Turken met een onafhankelijke en eigenzinnige geest organisaties op.

Ik woon in Ankara, maar ook ik heb mijn hart aan Istanbul verpand. De hoofdstad is overzichtelijk, meer een dorp dan een stad, wat het mogelijk maakt om je werk efficiënt te organiseren. Maar Ankara is daarom ook saai, monotoon en bij tijd en wijle zelfs vervelend. De burgerlijkheid is benauwend. Op cocktails is het niet gepast om over de realiteit van de dag te praten, zoals het martelen van verdachten op politiebureaus, of je kritisch uit te laten over de kansen van Turkije om lid te worden van de Europese Unie. De Turkse politici, bureaucraten en diplomaten leven niet met die werkelijkheid.

Maar Istanbul laat zich niet in toom houden, de stad is vitaal en dynamisch. De metropool telt inmiddels ruim tien miljoen inwoners. Zij zijn de ziel van deze historische stad, die zich in elke wijk en elke straat van een andere kant laat zien. Istanbul is omgeven door water, waardoor een sfeer van vrijheid wordt geschapen. Arm en rijk buitelen over elkaar heen. Nieuwbouw en historische architectuur verdringen elkaar. Vuil en glorie zetelen in hetzelfde gebouw. Moslim-fundamentalistische studentes, in lange regenmantels en met een streng-islamitische hoofddoek om, wachten naast meisjes in minirok en een nauw T-shirtje voor het stoplicht.

Istanbul is meer dan de spreekwoordelijke brug tussen Oost en West, het verbindt het Byzantijnse en Ottomaanse verleden met het Turkse heden. De charme van de stad wint met het verstrijken van de tijd zelfs aan kracht. Het neerhalen van het IJzeren Gordijn in Oost-Europa en het uiteenvallen van de Sovjet-Unie hebben die charme alleen maar doen toenemen.

Het mysterie van dat grootse verleden is fascinerend en vormt een van de belangrijkste attracties van Istanbul. Elke wijk heeft zijn eigen sfeer en bekoring, zijn eigen band met de geschiedenis en met het heden. Het is een rijkdom die overrompelt maar ook afstoot, omdat zij zo intens is. De smeltkroes van volkeren die er woonden (en in mindere mate nog steeds wonen), hebben allemaal hun eigen stempel op Istanbul gedrukt. De geschiedenis dringt zich als het ware aan je op. Maar het kost tijd en energie om het tot je door te laten dringen. Istanbul laat zich niet gemakkelijk veroveren.

Ook de Bosporus, de zeestraat die het Europese deel scheidt van het Aziatische Turkije, draagt in belangrijke mate bij tot de schoonheid en de grandeur van de stad. Wie deze waterweg vanaf de Galatabrug tot aan de Zwarte Zee volgt, krijgt een fascinerend beeld van de historische rijkdom van Istanbul: de honderden koepels en minaretten in het oude deel van de stad, gevolgd door de historische paleizen en zomerverblijven aan de waterkant. Maar het geeft tevens het verval van de stad weer: het groen maakt meer en meer plaats voor huizen en flats voor de honderdduizenden nieuwkomers van het platteland die zich jaarlijks in Istanbul vestigen. Het oprukkende beton legt een tijdbom onder het glorieuze verleden van de 3000 jaar oude stad.

Istanbul is tevens een kakofonie van geluiden. Het gebeier van klokken, de oproep tot gebed, de verkeersdrukte, de stemmen van de duizenden mensen die de straten overspoelen, handelaren die hun waar aanprijzen, krijsende zeemeeuwen rondom de veerboten in de Gouden Hoorn, die met luide stoten uit de scheepshoorn aangeven dat ze willen aanleggen. En een spel van licht. Het glinsteren van het water, de weerspiegeling van de zon op de koepels en de minaretten, de donkere stegen en de lichte boulevards.

Mijn rustpunten in Istanbul zijn de overdekte bazaar (kapaliçarsi) tussen Beyazit en Nuruosmaniye en de cafeetjes in Beyoglu. De overdekte bazaar met zijn 4.000 winkeltjes, restaurants, een moskee, fontein en een café, is een wereld op zichzelf. En eenmaal binnen verlies je het besef van tijd. De cafeetjes in Beyoglu, dat vroeger Pera werd genoemd, zijn van deze tijd. Hier lees ik de kranten en ontmoet ik vrienden en bekenden met wie ik niet heb afgesproken. En hier mag ik bijvoorbeeld niet betalen als ik er, na een lang gesprek over de recente hongerstaking onder de politieke gevangenen met de blinde advocaat Esber Yagmurdereli, neerstrijk voor een Italiaanse cappuccino.