Investeren in pretpark is een 'ratrace'

Procedures van natuurbeschermers en buurtbewoners hebben de geplaagde directeur Hans A. van den Berg van Avonturenpark Hellendoorn tot een inventief ondernemer gemaakt. Zijn nieuwste attractie is de ondergrondse achtbaan 'Rioolrat'. “Ik had eigenlijk een zestien meter hoge roller coaster willen bouwen, maar dat mocht niet. Dus heb ik maar een gat in de grond gegraven.” De 51-jarige Van den Berg, die sociologie studeerde maar eigenlijk kunstschilder had willen worden, zag in de jaren zestig na een 'contra-analyse' een gat in de vrijetijdsmarkt. Vandaar het besluit in de jaren zestig om met veel geleend geld het speeltuintje van zijn vader uit te breiden tot een attractiepark met een eigen gezicht. “Doe je niet mee in de 'ratrace' van investeringen dan val je af.” Vierde artikel in een serie over Nederlandse 'pretpioniers'.

Mij krijgen ze niet klein.” Hans A. van den Berg, algemeen directeur van het in de Twentse bossen gelegen Avonturenpark Hellendoorn, wekt niet de indruk alle dagen plezier in zijn werk te hebben. Dat heeft zijn redenen, zegt hij met een verbeten trek om de mond. “Al tien jaar lang heb ik gedonder met natuurbeschermers en oudere mensen in de omgeving die klagen over te hard gillende juffrouwen in onze Tornado”, zegt hij.

“Tot bij de Raad van State heb ik daarover geprocedeerd en ook spelen voortdurend andere kwesties, zoals over zwerfvuil, verstoring van de skyline, verkeersoverlast, openingstijden en bestemmingsplannen. Bij alles wat ik aan nieuwe dingen wil beginnen is het een lange lijdensweg om iets voor elkaar te krijgen. Het is soms om dol van te worden, op het zotte af. Zou ik de vrije hand hebben, dan zag het er hier nog heel anders uit. Zo droom ik van een Sky-tower en van een Boomerang, een achtbaan die zowel voor- als achterwaarts gaat.Ik voel mij ernstig in mijn vleugels gekort. Dertig procent van mijn tijd gaat zitten in procedurekwesties, maar mij krijgen ze niet klein.”

Dagelijkse ergernissen slaat hij van zich af door driftig te squashen en beheerst te golfen. Door alle tegenwerking zegt hij alleen maar inventiever te zijn geworden en om dat te illustreren rijdt hij met een golfkarretje naar zijn nieuwste attractie, de Rioolrat, een ondergrondse achtbaan die tweeëneen half miljoen gulden heeft gekost. Als de verslaggever een ritje heeft gemaakt door het aardedonkere labyrint, waar het water van de muren druipt en het opzettelijk muf ruikt, vertelt Van den Berg met zowaar een sardonisch lachje om de mond: “Ik had eigenlijk een zestien meter hoge roller coaster willen bouwen, maar dat mocht niet, dus heb ik een diep gat in de grond gegraven en daarmee heb ik nu een attractie van jewelste in huis gehaald met een capaciteit van 1000 personen per uur.”

Rondrijdend door de rest van het Avonturenpark wijst hij op zijn door omwonenden verfoeide bovengrondse Tornado, een traditionele achtbaan waarvoor hij eveneens een gat in de grond heeft gegraven om niet boven de hem opgelegde skyline-limiet uit te komen. Eén centraal thema heeft Avonturenpark Hellendoorn niet. Alle hoeken en gaten van het tiptop onderhouden complex hebben een eigen sfeer met daarbij behorende attracties. Zo is er het westernstadje Silver City, een Plaza Miracola en een Place de Paris, een speelcomplex onder de naam Dreumesland, een Canadian River met bootjes van kunststof boomstammen voor de opgroeiende jeugd en het schommelschip Galjoen voor het hele gezin. Verder zijn er op gezette tijden shows van op fietsjes rondrijdende papegaaien en opspringende zeeleeuwen. In het roodpluchen 'Broadway Theater' geven elektronische apen een Magical Monkey Show. De nu 84-jarige Jan van den Berg, de pionier van het park die tot 1978 aan het bedrijf was verbonden, lijdt aan de ziekte van Alzheimer en is toevallig vandaag met verpleegsters en andere demente bejaarden op bezoek, al is hij zich allang niet meer bewust dat hij door zijn eigen schepping wordt geleid.

“Heel triest”, zegt zijn zoon Hans. “Toen vader al wat ouder was, maar nog helder van geest, was hij altijd verrukt over wat wij bereikt hebben, al keek hij weleens zorgelijk als mijn broers Ben, Jan en ik weer een nieuwe investering hadden gedaan. Op z'n Twents vroeg hij dan: 'Jongens, jongens, kom je d'r nog wel an uut?' ”

Vertederd en naarmate het gesprek vordert steeds blijmoediger vertelt Hans van den Berg, wiens voorvaderen boeren en timmerlieden waren, hoe het allemaal is gegroeid: “Zestig jaar geleden, in 1936, is mijn vader op deze plek, destijds een kaal heideveld, een theehuis begonnen, dat hij gaandeweg had willen uitbouwen tot een hotel, maar door de mobilisatie- en oorlogsjaren is het daar nooit van gekomen. In plaats daarvan heeft hij een speeltuintje aangelegd bij het nog steeds bestaande theehuis dat nu als parkrestaurant dienst doet.”

De eerste jaren trok deze uitspanning hoofdzakelijk bezoekers uit de streek, totdat in de jaren vijftig het bustoerisme op gang kwam en de oude Van den Berg zijn theehuis bij busondernemingen als pleisterplaats opwierp. 's Morgens om zes uur begon de dag daar al met soms 1000 koppen koffie schenken aan buspassagiers uit Groningen, op weg naar het zuiden. 's Middags schoven gasten uit het westen aan voor een koffietafel en 's avonds zorgden vader en moeder Van den Berg voor twee- tot driehonderd diners, bestaande uit vermicellisoep, aardappels en groenten met een gehaktbal en een puddinkje toe. “Daar hoef je vandaag de dag niet meer mee aan te komen”, zegt zoon Hans ineens weer gebeten. “De mensen zijn gruwelijk verwend geraakt. Ook de tijden van limonade met een rietje zijn voorbij. Zakelijk ben ik daar niet ongelukkig mee, maar ik vraag me weleens af waar mensen van vandaag eigenlijk nog tevreden mee zijn.”

Terugkijkend schetst hij hoe de speeltuin in de jaren vijftig, naar het voorbeeld van De Efteling, werd uitgebreid met een sprookjestuin met primitief bewegende poppen. Naarmate meer en meer Nederlanders in de jaren zestig auto's kregen, kwam een stroom dagjesmensen op gang, al wist de oude Jan den Berg niet goed wat hij daarmee aan moest. Al in die jaren groeide het werk hem boven het hoofd en besloot hij in zijn verwarring een deel van de grond en het theehuis te verkopen en slechts het attractieparkje aan te houden.

Toen de zaak daardoor dood dreigde te bloeden kwam zijn nu 51-jarige zoon Hans in het geweer. Als jongen had deze kunstschilder willen worden, maar dat vond zijn vader geen beroep, waarop hij economie en sociologie was gaan studeren. Om de zaak te redden ging hij bij zijn vader werken, later geholpen door zijn echtgenote (die als manager van 'het winkelgebeuren' fungeert) en zijn broers Ben (die een MTS-opleiding volgde) en Jan (met MEAO-diploma). De laatste trok zich ruim twee jaar geleden uit de directie terug “wegens verschillen van inzicht over het te voeren beleid”.

Met veel geleend geld kochten vader en zonen het theehuis en hun oude grond weer terug en zorgden zij voor nieuwe attracties als botsboten, een monorail en meer. De economisch en sociologisch geschoolde Hans had als filosofie dat bij toenemende vrije tijd er steeds meer behoefte zou komen aan pretparken. De Efteling in Kaatsheuvel, het Duitse Phantasialand en het Amerikaanse Disneyland zagen die trend bevestigd door steeds stijgende bezoekersaantallen. Vandaar het besluit de eigen zaak verder uit te breiden en een eigen gezicht te geven, een en ander nadat Hans een 'contra-analyse' had gemaakt op zoek naar een gat in de markt, wat hij meende te hebben gevonden in een compact park van 20 hectare met veel groen.

Ook vandaag de dag luiden twee van de wervingsleuzen van Avonturenpark Hellendoorn: 'Bijzonder compact, weinig lopen' en 'Veel bomen, dus veel schaduw.' Een speerpunt in het beleid, maar dat geldt in feite voor alle attractieparken, is dat Van den Berg tot het uiterste streeft naar verkorting van wachttijden bij de populairste attracties.

Even stijgt weer zijn bloeddruk als hij vertelt hoe agressief bezoekers soms worden als ze even voor een attractie in de rij moeten staan. In het huisreglement is verordonneerd dat voordringen verwijdering uit het park tot gevolg kan hebben. Nog een andere ergernis is dat hij bezoekers na sluitingstijd soms moeilijk het park uitkrijgt: “Als ze eenmaal entree hebben betaald denken ze zich alles te kunnen permitteren.” Nog een zorg die niet bijdraagt aan verbetering van zijn humeur zijn de oplopende investeringen voor nieuwe attracties. “Zeven tot acht miljoen gulden is bij ons wel de grens om het rendabel te houden. Ik heb nu weer een plan liggen dat zo'n zeven miljoen gaat vergen. Doe je niet mee in die investerings-ratrace dan val je af, want het publiek kiest keihard voor de parken met steeds meer nieuwe en nog sensationelere attracties.”

Met hulp van sponsors - door hen bepaalde attracties te laten 'adopteren' - zou hij zijn investeringskosten kunnen beperken, maar sponsors hebben helaas de neiging zich met alles te willen bemoeien en hij wenst heer en meester over eigen park blijven. Vandaar dat die mogelijkheid voor hem vooralsnog is afgevallen, uitgezonderd een mini-reuzenrad in Dreumesland met zitjes in de vorm van Coca-Colablikjes en links en rechts reclame voor Fuji-films en Oranjeboombier.

Over wat de toekomst gaat brengen aarzelt hij: “Misschien dat we voor een nu geplande kostbare nieuwe attractie een sponsor gaan aantrekken. Als het moet dan moet het, maar liever niet.” Ter verdere reducering van de kosten streeft Van den Berg met collega-concurrenten al jaren naar verlaging van het BTW-tarief, dat er eindelijk aan zit te komen, mede dankzij de inspanningen van de Club van Elf, een combinatie van Nederlandse pretparken waarvan ook Avonturenpark Hellendoorn deel uitmaakt.

Geregeld bezoekt Van den Berg bijeenkomsten van deze club. Echte vrienden zijn het niet van elkaar: “Wij kussen elkaars vrouwen en stelen elkaars klanten.” Om te voorkomen dat de indruk ontstaat dat hij alleen maar een door ergernissen geplaagde cynicus is, zegt hij met nadruk: “Ik beleef ook veel plezier aan dit werk, vooral aan de marketingkant ervan. Ik vind het leuk om met allerlei mogelijkheden te spelen.” Om een voorbeeld te geven vertelt hij dat de vrijdag ('boodschappendag') altijd de dag in de week is waarop de minste bezoekers komen: “Vandaar dat ik op vrijdagen heb ingesteld dat 55-plussers gratis entree hebben, in de hoop dat zoiets opa's en oma's met hun kleinkinderen trekt. En dat werkt!” Nog een ander marketingideetje: wie vóór Hemelvaart het park bezoekt, krijgt een reductiebon, waarmee men in oktober het park nog eens kan bezoeken voor vijf gulden in plaats van de gebruikelijke entreeprijs van 26 gulden per persoon. Voor degenen die op de dag van hun bezoek jarig zijn is er de aanbieding 'Jarige Job, entree voor nop'.

Om zich verder te onderscheiden is Hellendoorn een van de weinige attractieparken waar honden, mits aangelijnd, mee naar binnen mogen. Om poep te ruimen dienen hondenbezitters bij de entree een schepje te kopen. Het publiek dat naar Avonturenpark Hellendoorn komt bestaat hoofdzakelijk uit Nederlanders en voor vijftien procent uit Duitsers uit de grensstreek. De enige cijfers die Van den Berg wil prijsgeven is dat hij dertig mensen in vaste dienst heeft, op topdagen met tweehonderdvijftig krachten in touw is en dat het park jaarlijks 600.000 à 700.000 bezoekers trekt. “De komende jaren voorzie ik dat het aantal betalende bezoekers licht zal blijven stijgen, maar aan de aanbiederskant zit deze markt in vrijwel geheel Europa propvol, misschien uitgezonderd het oostblok.”

Of Avonturenpark Hellendoorn ooit door een derde generatie Van den Berg geleid zal worden, is nog niet te zeggen: “Mijn broer Ben en ik zijn het met elkaar eens dat onze kinderen alleen na gebleken managementkwaliteiten en na ervaring bij andere bedrijven voor de opvolging in aanmerking komen, en dan nog alleen wanneer ze het beslist willen. Voor mijn zoon van 27 jaar geldt dat alvast niet, want die is componist van popmuziek geworden. Misschien zou het leiden van deze zaak iets voor mijn dochter zijn, al heeft ze voorlopig als grootste wens om docente schoonheidsspecialiste te worden. De kinderen van Ben zijn nog te jong om iets te willen. In ieder geval ben ì k niet van plan dit werk levenslang te blijven doen. Binnen uiterlijk tien jaar ben ik hier weg en dan ga ik mij eindelijk zelf eens uitleven, met stil genieten en wat kunstschilderen.”

    • Wim Wennekes