In Liefde Bloeyende

SOLVI NON POSSUM, NISI MAGIS CONSTRINGAR

Geluckich die int veldt, int midden van de lanssen

En van de sweerden bloot den droeven dans mach dansen

Die wy al moeten gaen, en vallend' in het sandt

Die leste voetval doet voor Godt en voor zijn landt

Maer my ellendich mensch die strijdt hebb' aengenomen

Vol vreucht en vol verdriet, wort oock de doot benomen.

Mijn vyandt is mijn lief: die my de strijdt aendoet

Die acht ik boven al, die wensch ick dobbel goet.

Haer sweert is haer gesicht, de lanssen sijn haer woorden

Daer zy my mede quetst: haer armen sijn de koorden

Daer zy my mede bindt. De pijlen die ick vlie

Dat sijn de oogen self, die ick soo geerne sie.

O vriendelick gewelt! waer soud' ick konnen loopen

Daer ick gebonden ben met sulcke soete knoopen?

O vyandt die ick soeck! ô lijden sonder pijn!

Ick moest om los te gaen noch meer gebonden zijn.

Daniël Heinsius (1580-1655)

Het is een sterk beeld dat in het eerste kwatrijn van dit gedicht wordt opgeroepen. We zien het slagveld voor ons met de lansen en getrokken zwaarden. We zien hoe een krijger zijn laatste strijd levert en als het ware wordt gekraakt. Hij valt om, met zijn neus in het zand. Dat deze regels zo plastisch zijn komt mede door de woordkeus. De droeve dans dansend die wij allen moeten gaan, de laatste voetval doen voor God en land, 't is overtuigend gezegd. Minstens zo belangrijk lijkt me dat door 'int midden van de lanssen' en 'droeve dans' de sfeer van een opvoering wordt opgeroepen, van een arena, omheind door een woud van pieken. Er is een publiek en er is een act. Dat maakt ons tot een toeschouwer.

Goed, we kunnen iets van het geheim ontsluieren dat deze vier regels zo'n visuele kracht verleent, maar daarmee is het raadsel van het eerste woord niet opgelost. Waarom zou iemand die in het gevecht naar de bliksem wordt geholpen gelukkig zijn?

Dát moet de dichter eens komen uitleggen. En dat komt hij ook doen. Meteen in de tweede strofe introduceert hij zichzelf

Maer my ellendich mensch...

en legt uit dat hij eveneens soldaat is. Ook hij is een gevecht aangegaan 'vol vreucht en vol verdriet' - een droeve dans - maar sterven mag hij niet. Zelfs het geluk van de dood is hem niet vergund. Na zo nog even de spanning te hebben opgevoerd lost hij het raadsel in een korte formule op -

Mijn vyandt is mijn lief

- het raadsel verklaard door een paradox. De dichter verplaatst het strijdtoneel van de oorlog naar de liefde. Hij heeft het over zijn geliefde als vijand. Over de minnaar als soldaat. Zij die hem afwijst - die my de strijdt aendoet - bemint hij daardoor juist dubbel. Ineens zijn we van Velazquez' De overgave van Breda waarop zo'n woud met lansen te zien is dat mij bij de eerste strofe voor ogen stond, beland bij Petrarca met zijn Laura. Hou kouder de muze, hoe heter de dichter.

Ik kan me niet losmaken, behalve door de koorden nog meer aan te halen... Aldus de vertaling van de Latijnse titel van het gedicht. Bij die titel begon de paradox.

In de derde strofe vernauwt de dichter opnieuw het beeld. Er wordt ingezoomd op de geliefde. Geheel volgens de barokke traditie worden haar lichaamsdelen één voor één onder de loep genomen. Zwaard en lans keren terug. Wapenen, nu als attributen van de geliefde. Zij vertegenwoordigt in haar eentje het strijdtoneel van de eerste strofe. Het is een uitgebreide vergelijking, de dame wordt haast uitgerust als de oorlogsgodin zelf. 'De geharnaste Venus', zoals een dichtbundel uit die tijd heette. Een soort Juno roept de dichter op voor wier blikken hij op de vlucht slaat. Een vlucht voor ogen die ick soo geerne sie. Met opnieuw een paradox sluit deze strofe af. Maar het is ook een liefdesklacht. Die ick soo geerne sie. Het staat er simpel, bijna hulpeloos. Het heeft iets doorvoelds, als ik het zo mag zeggen. De dichter kent de oorlog en de liefde. Hij is niet alleen met geleerdheid en literaire figuren en barokke traditie bezig, hij heeft weet van de macht en de machteloosheid van de erotiek. Van de spanning tussen verlangen en ontbering. Er smeult vuur onder zijn retoricale sintels.

Daarom komt dat verpletterende oxymoron waarmee de vierde strofe inzet

O vriendelick gewelt!

niet eens meer over als gekunsteld. En een oxymoron - zwarte sneeuw, jonge grijsaard, weet u wel - is de gekunsteldheid ten top. Het is een van de geliefde figuren van het maniërisme om verbazing op te wekken. Verbazen wil Heinsius vanzelf ook, want

Chi non sa far stupir, vada alla striglia

ofwel, wie geen verbazing weet te wekken moet stalknecht worden. Maar bij hem komt het beeld niet uit de lucht vallen. Het is hem zelfs vergund de hele vierde strofe vol te stouwen met zulke oxymorons en in de slotregel de paradox van de titel nog eens te herhalen. We accepteren zijn spel. O lijden sonder pijn! - we zijn bereid het te lezen als een persoonlijke verzuchting en niet als de onzin die het is. Hoe komt dat? Omdat de onverenigbaarheid in de stijlfiguur correspondeert met de grotere tegenstrijdigheid in de liefde en die weer met de totale disharmonie in de wereld. De dichter heeft ons daarop voorbereid door ons met kalme hand te leiden van de paradox van het slagveld naar de tweestrijd in zijn innerlijk. We geloven hem. Er zit een lijn in zijn gebrokenheid. Een demonische lijn die meer dan spel is. Liefde is oorlog.