Het Franse platteland

Nog maar net hebben we de sleutel in het slot gestoken of het felle wagentje van onze buurman, de journalist, komt voor het hek tot stilstand. “Hallo, weer terug in het land ? Denk eraan, laatst heb ik daar een slang gezien, een grote.” Hij wijst naar een hoop stenen naast de houtmijt.

De adder die er onder woont kennen we, maar zijn bestaan hebben we tot nog toe voor Franse kennissen verborgen weten te houden. Wij brommen iets flauws terug over tuinslangen, maar zijn waarschuwing is ernstig gemeend, en liever zag hij ons de schop uit de schuur halen.

Ons huis ligt in een gehucht waar nog maar een enkele gepensioneerde boer woont, plus de journalist die de helft van de tijd in Parijs resideert. Een jaar geleden heeft bovendien een jong stel de boerderij van onze buurman aan de noordkant gekocht - de boer zelf heeft zich teruggetrokken in een van de pastelkleurige villaatjes waarmee het Franse platteland bezaaid is - en nu hebben we uitzicht op vijftig geiten. Want geitenkaas doet het goed. De geiten begonnen met de heg van mispel en essenhout kaal te vreten, maar toen ze ook de oude appelbomen gingen schillen stak de buurman er een stokje voor. Als wij met armen vol tuinafval langszij lopen komen ze aanrennen en kijken ons met hun duivelsogen hebberig aan.

De westmuur van ons terrein grenst aan een paar vierkante meters die aan een krasse knar uit het dorp toebehoren. Al verscheidene malen hebben we aangeboden om het lapje brandnetels-met-oude-ijskasten van hem te kopen, maar hij heeft het steeds afgeslagen, want “op een dag wordt dat de tuin van de 'gîte' aan de overkant”. Voorlopig biedt de schuur die gîte moet worden onderdak aan een oude Panhard en een caravan. De echte reden waarom hij de grond niet wil verkopen is, denken wij, dat hij zo fijn kan blijven klagen over onze muur die wel eens een steen laat vallen, en de klimop die maar woekert. De reden waarom wij het 'tuintje' zo graag willen hebben is dat aan die kant een hop in de muur broedt, een rare kuifvogel die met zijn kromme snavel zit te poeren in koeienvlaaien. Als we ons iets te levendig gedragen buiten, gaat de oudervogel geïrriteerd op een dak in de buurt zitten kijken totdat wij eens een beetje rustig doen, en zij haar laatste meters naar het gat in de muur kan afleggen. Wat de oude man of zijn nazaten ook van plan zijn met het stukje grond, de hoppenfamilie behoort vast niet tot hun zorgen.

Met de voormalige eigenaars van ons huis zijn we bevriend gebleven, niet in de laatste plaats omdat ze een lekker zoet drankje stoken dat ze graag voor een paar franken afstaan. Ook zij waarschuwen graag voor het ongedierte dat overal dreigt. De boerin hoort er van op als wij voorzichtig zeggen dat de rupsjes waar ze het zo op gemunt heeft de voorbode zijn van al die aardige vlinders op haar budleia. 'Dis donc! , en: 'tiens!', “maar wilt u wel geloven dat je tegenwoordig een boete krijgt als je een slang doodslaat ?” “En buizerds heten ook heel nuttig te zijn”, voegt haar man er met veelbetekenende blik aan toe.

's Avonds komt de vriendin van de journalist ons op de hoogte brengen van de laatste ontwikkelingen in de omstreken. “Mijn god, het lijkt hier wel Sarajevo”, verzucht ze, uitkijkend over de enorme rotstuin ten oosten van ons huis, waaronder de ruïne van een voormalige schuur nog maar net zichtbaar is. Beledigd leggen wij de principes van de landschapskunde volgens Le Roy uit, en voegen er vals aan toe dat we ook wel weten dat Fransen alleen een rozenperk op een gemillimeterd gazon, omzoomd door coniferen, als tuin beschouwen. Ze lacht hartelijk om onze sneer, want zelf houdt ze alleen van stokrozen, die ze met veel onkruidverdelgende middelen tussen het grind voor het huis kweekt. Behaaglijk snuift ze de geur van de honderden braambossen op die in juli door de boeren opgefikt worden. Als wij opperen dat de Fransen zó verslaafd zijn aan uitlaatgassen dat ze ten plattelande naar vervangende drugs moeten zoeken, is het haar beurt om beledigd te zijn. Of we wel weten dat iedereen hier heel gezond oud wordt! Neem nu haar vader, een oude wijnboer. Twee pakjes gitanes per dag, maar “op de tractor, in de open lucht, roken die sigaretten zichzelf!” Wij doen er het zwijgen toe, overstemd door de regionale logica, en door het lieve geluid van een accordeon dat over de wei ten zuiden van ons klinkt. De zoon van de houthandelaar speelt voor zijn jonge bruid. Ook dat is het Franse land. Als we de volgende dag de bruidegom tegenkomen in het bos, stokstijf voor een afslag waar hij een slang meende te zien, knikken we begrijpend, en begeleiden hem de laatste kilometer door de wildernis naar huis.