Een gotische fontein in Centraal-Azië

Willem van Rubroek, de Franciscaner monnik die in opdracht van koning Lodewijk IX van Frankrijk naar het Oosten reisde om contact te zoeken met de Grote Khan, kwam op Palmzondag 1254 (5 april) in Karakorum aan, de Centraal-Aziatische hoofdstad van het Mongoolse wereldrijk. Daar trof hij in de bonte wirwar van nationaliteiten en religies - Chinezen, Perzen, Arabieren, Armeniërs, Boeddhisten, Mohammedanen, Nestorianen - ook een kleine groep Christenen uit West-Europa aan.

De meesten van hen waren gevangen genomen tijdens de Mongoolse inval in Hongarije in 1242 en als slaven meegevoerd naar het Oosten. Een centrale figuur in deze kleine kolonie was een Franse kunstenaar, Guillaume Boucher. Hij stamde uit een Parijse familie van goudsmeden. Zijn broer had een winkel op de Grand Pont (nu Pont au Change). Boucher was getrouwd met een in Hongarije geboren vrouw van Lotharingse afkomst.

De Mongolen waren verzot op juwelen en edelsmeedwerk, producten van een kunst die in hun eigen cultuur, waar leer en vilt de traditionale artistieke materialen waren, niet werd beoefend. Mangoe-Khan had meester Guillaume aan het hoofd van vijftig werklieden gesteld om een een groot werk uit te voeren, de constructie van een kostbare metalen fontein in de grote ontvangsthal van het keizerlijk paleis.

De grote hal was door Chinese architecten gebouwd naar het model van de 'Hal van de Grote Helderheid' in de Verboden Stad in Beijing, de residentie van de Chinese keizers. Twee maal 's jaars troonde de Mongoolse vorst in zijn hal, omringd door zijn familie, en ontving hij de eerbewijzen van zijn uit alle windstreken aangereisde onderdanen, die zich viermaal achtereen voor hem op de grond wierpen. De plechtigheid eindigde in een drinkgelag dat vaak uitliep op een wilde orgie onder begeleiding van oorverdovende muziek. De favoriete dranken waren rijstwijn, geïmporteerd uit China, bal (een soort gierstbier), mede, bereid met honing, en vooral de nationale drank van de Mongolen: gefermenteerde paardemelk. Meester Guillaumes opdracht was, een fontein te bouwen die een voortdurende toevoer van al deze dranken zou verzekeren.

Willem van Rubroek beschrijft het kunstwerk als volgt. Meester Guillaume de Parijzenaar maakte een grote zilveren boom, aan de wortels waarvan vier zilveren leeuwen zijn opgesteld; door elk van de leeuwen loopt een buis en alle vier spuwen zij witte merriemelk. Vier andere buizen lopen door de boom tot in zijn neerhangende takken waaraan verguld zilveren bladeren en vruchten hangen; elk van de takken draagt een vergulde draak (serpent) die zijn staart rond de stam slingert. Uit deze buizen vloeien vier verschillende dranken die worden opgevangen in zilveren schalen. Boven de takken verrijst een engel met een beweegbare arm die een bazuin draagt. Als er meer drank gewenst wordt, brengt de engel zijn trompet op bevel van de hofschenker aan de mond en laat een luid signaal horen. Oorspronkelijk, zo vervolgt Willem, had de kunstenaar de engel door middel van een blaasbalg willen laten trompetten, maar omdat hij op deze wijze niet genoeg druk kon verkrijgen, had hij onder de boom een kelder gemaakt, waarin een man zat die uit alle macht in een buis moest blazen. Wat de dranken betreft, die vloeiden via een systeem van buizen uit een ruimte buiten de zaal. De toevoer werd geregeld door dienaren die op het trompetsignaal van de engel reageerden.

Leonardo Olschki heeft heeft in 1946 een boeiende studie aan Guillaume Boucher gewijd. Hij laat daarin zien dat de kunstenaar zich bij het ontwerpen van zijn 'boomfontein' zonder twijfel heeft laten inspireren door de christelijke voorstelling van het paradijs met zijn boom en zijn vier rivieren. Daarnaast moet Guillaume ook vertrouwd zijn geweest met de litteraire traditie van de wonderboom vol mechanisch kwinkelerende vogeltjes, die in talrijke middeleeuwse romans wordt beschreven. Deze westerse, christelijke concepties lieten zich vermoedelijk zonder problemen integreren in de Mongoolse cultuur, waar bomen een bijzondere verering genoten. Iets dergelijks geldt ook voor de leeuwen en de draken, bekende decoratieve elementen in allerlei Aziatische culturen. Alleen de engel met de bazuin lijkt een vrij exclusief christelijk symbool, dat onmiskenbaar naar het Laatste Oordeel verwijst. Voor de goede verstaander betekende het trompetsignaal dat boven het heidense lawaai van de muziek en het dronkemansgelal uitklonk, niet alleen 'Meer drank!', maar ook: 'Eens zult gij hiervoor boeten!'

Zie L.Olschki: Guillaume Boucher, A French Artist at the Court of the Khans (Baltimore, 1946).