DNA-analyse wijst de weg bij dikke-darmoperatie

Een genetische analyse van darmpoliepen kan helpen bij de beslissing hoe patiënten met familiale polyposis coli (FAP) aan hun dikke darm worden geopereerd. Bij deze overerfbare aandoening, waarbij in de dikke darm honderden tot duizenden poliepen voorkomen die onbehandeld onherroepelijk tot dikke-darmkanker uitgroeien, moet de chirurg zowel dikke darm als rectum weghalen, of het rectum laten zitten en de dunne darm daar direct mee verbinden.

In het eerste geval moeten de veelal jonge patiënten de rest van hun leven hun uitwerpselen in een stomazakje opvangen. Als het rectum intact blijft bestaat de kans dat zich daar later alsnog kanker ontwikkelt.

FAP is een dominant erfelijke aandoening waarbij mutaties bestaan in adenomateuze polyposis coli-gen (APC-gen). Er zijn verschillende mutaties die tot de ziekte leiden. Dr. H. Vasen van de Stichting Opsporing Erfelijke Tumoren in Leiden en een aantal collega's uit verschillende Nederlandse ziekenhuizen hebben aangetoond dat bij een mutatie in het begin van het gen de kans op latere rectumtumor zo klein is dat het verantwoord is de natuurlijke feacesuitgang te behouden. Bij een mutatie in het tweede deel van het gen is het beter meteen een stoma aan te leggen, omdat de kans groot is dat er jaren later tumorgroei optreedt.

Het chirurgisch dilemma bij FAP heeft grote gevolgen voor de patiënten. Leven met een stoma heeft voor de patiënten die al op 20- tot 25-jarige leeftijd worden geopereerd grote sociale consequenties. Uit verschillende rapporten is echter gebleken dat de kans op tumor in de rectumstomp bij FAP-patiënten na 20 jaar op kan lopen naar 10 à 55%. Omdat er aanwijzingen waren dat dit risico mede bepaald wordt door de plaats van de mutatie in het APC-gen, hebben de Nederlandse onderzoekers gekeken of DNA-analyse van nut kon zijn bij de behandeling van FAP-patiënten.

Uit het FAP-register van de Stichting Erfelijke Tumoren, waarin de stambomen en medische gegevens zijn opgenomen van alle in Nederland bekende families met deze ziekte, werden 225 patiënten gelicht die gemiddeld 11 jaar voordien een rectumsparende operatie hadden ondergaan. Onder dit patiëntenbestand bleek het risico dat in de jaren na de operatie wegens onbeheersbare poliepvorming of kanker alsnog het rectum verwijderd moest worden na 20 jaar op te lopen tot 42%. Van 87 van deze patiënten was de positie van de mutatie in het APC-gen exact bekend. Het bleek dat 72 patiënten een mutatie vertoonden in het begin van het APC-gen (vóór codon 1250), bij 14 van hen moest het rectum later alsnog verwijderd. Bij de 15 patiënten met een mutatie na codon 1250 was een ingreep bij acht patiënten jaren later nog nodig geweest. Omdat het risico op latere rectale problemen beduidend groter is in de groep met een mutatie in het tweede deel van het gen, adviseren de Nederlandse onderzoekers bij FAP-patiënten met die mutatie altijd rigoreus een operatie te verrichten waarbij dikke darm en rectum worden verwijderd. Bij de overige patiënten kan zonder al te veel risico volstaan worden met een rectumsparende operatie. (The Lancet, 17 aug.)