Dienstweigeraars

HET KABINET HEEFT vriend en vijand verrast door het opheffen van de opkomstplicht voor de militaire dienst naar voren te schuiven. Vandaag zwaait in Breda de laatste lichting dienstplichtigen af en is het beroepsleger een feit. Toch neemt Nederland nog niet helemaal afscheid van het dienstplichttijdperk. Er resteert nog een aantal dienstweigeraars en de strafrechtelijke afrekening met hen gaat onverdroten voort. Zeven maanden onvoorwaardelijke celstraf is zo'n beetje het standaardtarief.

Het gaat om pakweg achthonderd gevallen, geen kleinigheid. Voor een deel is dit het restant van de zogeheten weigeryuppen. Dit is een categorie van dienstplichtigen die, vaak op advies van commerciële adviseurs, om puur opportunistische redenen hebben geprobeerd om onder zowel de dienstplicht als de vervangende dienst uit te komen door de procedures voor gewetensbezwaren uit te melken. Maar ook een principiële totaalweigeraar moet in de Bijlmerbajes nog steeds zijn zeven maanden uitzitten hoewel het object van zijn burgerlijke ongehoorzaamheid inmiddels niet meer bestaat.

Zouden andere, wat meer symbolische sancties niet beter op hun plaats zijn, vroegen fractieleden van D66 begin dit jaar. Er bestaat per slot van rekening nog steeds een cellentekort. De justitie moet verdachten heenzenden wegens plaatsgebrek in gevallen die wel wat zwaarder aantikken dan de weigering te voldoen aan een inmiddels opgeheven verplichting. Minister Sorgdrager (Justitie, D66) hield zich in haar antwoord op de vlakte, met name omdat een aantal juridische vragen nog onder de rechter waren.

INMIDDELS HEEFT de Hoge Raad gesproken. Op 19 maart hield het hoge rechtscollege het recept van zeven maanden cel overeind. Het ging daarbij vooral om de zogeheten Bussumse aanpak waarmee de militaire justitie een stokje heeft gestoken voor het voortdurende spelen op uitstel dat ten slotte tot afstel van de dienstplicht moest leiden. Eenmaal afgewezen weigeraars werd een herkansing ontzegd en in plaats daarvan werden ze voor het blok gezet. In de Kolonel Palmkazerne in Bussum werden ze gesommeerd 's Konings wapenrok alsnog aan te trekken. Zo niet, dan volgde een proces-verbaal wegens het weigeren van een dienstbevel. Met in het verschiet de straf van zeven maanden.

De weigeryuppen en hun adviseurs hadden met hun procedurele getraineer ook wel om zo'n hardhandige oplossing gevraagd. Het blijft overigens moeilijk uit te maken of er nu al dan niet sprake is van oneigenlijk gebruik van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst. Maar ook voor andere weigeraars geldt de strafgrond dat zij zich, zoals de rechter het heeft uitgedrukt, “gevolggevend aan eigen inzichten willens en wetens wensen te onttrekken aan een wezenlijke, in beginsel op iedere daarvoor in aanmerking komende Nederlander rustende verplichting”. Het ontlopen van de militaire dienstplicht bespaart de betrokkene natuurlijk ook het nodige praktische ongemak.

DEZE OVERWEGINGEN kunnen op zichzelf een serieuze strafmaat dragen. Maar het wordt een beetje dwaas wanneer deze wordt doorgezet wanneer het grondwettelijk draagvlak door de overheid zelf is afgebroken. Het militaire openbaar ministerie beroept zich op “overwegingen van wezenlijke rechtsgelijkheid” om de celstraffen door te zetten. Deze dienen echter een herkenbaar doel te hebben. Mindere varianten dan zeven maanden cel (een voorwaardelijke of taakstraf of zelfs schuldigverklaring zonder straf) kunnen evengoed eraan helpen herinneren dat “eigen inzicht” niet de hoogste norm in dit land kan zijn.

Er is inmiddels een zaak aanhangig gemaakt bij de Hoge Raad waarin expliciet een beroep wordt gedaan op de veranderde omstandigheden. Daar zit een element van 'geluk hebben' in voor degenen die de krijgsdans ontspringen. Dit is geen beletsel om zonder op de Hoge Raad te wachten een beter aangepaste strafrechtelijke streep te zetten onder de dienstplicht dan zeven maanden cel. Het recht is een spel, zei de rechtsgeleerde Röling eens, maar geen spelletje.