'Verbeter hulp aan slachtoffers misdrijven'

DEN HAAG, 21 AUG. Het ministerie van Binnenlandse Zaken moet de politiekorpsen wijzen op hun plicht om slachtoffers te informeren over de mogelijkheid van slachtofferhulp en schadevergoeding door de dader.

Dat zegt de directeur van Slachtofferhulp Nederland, M. de Neeve. Sinds april 1995 is de zogenoemde Wet Terwee van kracht. Die wet maakt het mogelijk dat een slachtoffer zich voegt in het strafproces tegen een dader om schadevergoeding te eisen.

In sommige politiekorpsen neemt het aantal meldingen van 'Terwee-slachtoffers' eerder af dan toe, constateert Slachtofferhulp Nederland. “Al is er over het algemeen een verbetering, het schort nogal eens aan de houding van politieagenten op de werkvloer jegens slachtoffers”, zegt De Neeve. “We hebben de indruk dat de betekenis van de Wet Terwee inmiddels wel bij de bazen van de politie is doorgedrongen. Men is er serieus mee aan de slag gegaan. Maar agenten vinden het vaak te veel werk, hoewel zij de plicht hebben erop te wijzen bij elke aangifte.”

In het eerste halfjaar van 1996 hebben zich bij de 75 bureaus voor slachtofferhulp in Nederland ruim 7.000 mensen gemeld die een schadevergoeding in de zin van de Wet Terwee willen vorderen, zo blijkt uit de jongste gegevens van Slachtofferhulp Nederland. In de laatste zes maanden van 1995 waren dat er 7.688. Bij de organisatie krijgen de slachtoffers ondersteuning bij het verhalen van de schade op de verdachte. Volgens Slachtofferhulp heeft de overheid “te licht gedacht over landelijke invoering van de wet”, die gepaard ging met “veel onduidelijkheden” in registratie, samenwerking en afstemming met de betrokken instanties als de politie, het openbaar ministerie en de reclassering.

De Neeve heeft er bij het ministerie van Justitie op aangedrongen de uitvoering van de wet te ontdoen van de kinderziekten. Justitie en Binnenlandse Zaken zouden zich volgens haar “actiever” moeten opstellen om de schadevergoedingsregeling via de politie te verbeteren.

De bureaus voor slachtofferhulp krijgen steeds meer te maken met steun aan verkeersslachtoffers. Vorig jaar liep het aantal verkeersslachtoffers dat hulp kreeg bij de organisatie op tot 24.057, een stijging van twaalf procent ten opzichte van 1994. Inmiddels krijgt tweederde van alle verkeersslachtoffers hulp aangeboden. Daarbij gaat het, behalve om de eerste “emotionele” opvang na het verkeersongeval vooral over de technische en financiële afwikkeling met de betrokken weggebruikers en schade- en verzekeringsbedrijven.

De grote meerderheid van de cliënten van Slachtofferhulp Nederland bestaat nog uit slachtoffers van misdrijven: vorig jaar waren het er ruim 86.000. In totaal is sinds 1992 het aantal mensen dat slachtofferhulp krijgt bijna verdubbeld. Die toename zet zich voort, zo blijkt uit recente cijfers. In de eerste zes maanden van dit jaar meldden zich al 77.000 slachtoffers bij de organisatie.

De bureaus voor slachtofferhulp benaderen 79 procent van de slachtoffers van misdrijven of verkeersongelukken zelf. De gegevens over het misdrijf en het slachtoffer krijgen de bureaus meestal van de politie of het openbaar ministerie.

De meeste mensen - bijna 50.000 - die bij de organisatie om hulp vragen, zijn slachtoffer geworden van vermogensdelicten als inbraak en diefstal, inbraak met geweld of vernieling. Het percentage mannen en vrouwen dat om hulp vraagt is nagenoeg gelijk, aldus Slachtofferhulp. Bij jongeren (20-29 jaar) bestaat vooral behoefte aan hulp na zeden- of geweldsmisdrijven. Slachtofferhulp meent dat zij zich bij vermogensdelicten in eigen (familie-)kring beter kunnen redden dan ouderen.

De organisatie, die 1.600 vrijwilligers in dienst heeft, verwijst veel slachtoffers van ernstige misdrijven door naar andere hulporganisaties. Zo gaat 60 procent van de slachtoffers van incest of verkrachting naar een gespecialiseerde instantie.

Eerder deze week werd bekend dat justitie, politie, hulpverlening en de sociale advocatuur werken aan een systeem om slachtoffers van zedenmisdrijven en seksueel geweld gespecialiseerde juridische hulp te bieden. Op initiatief van de werkgroep Vrouw en Recht worden in alle negentien arrondissementen besprekingen gevoerd tussen de betrokken instanties. Het is de bedoeling dat slachtoffers na aangifte bij de politie worden doorverwezen naar een gespecialiseerde advocaat. Die kan op verzoek van het slachtoffer bijstand leveren.