Loonmatiging holt inkomen overheid uit

DEN HAAG, 21 AUG. Tegenvallende belasting- en premieinkomsten voor de overheid worden met name veroorzaakt door loonmatiging, lagere uitkeringen en allerlei vormen van gericht overheidsbeleid. Dit blijkt uit een analyse van het ministerie van Financiën over de periode 1990-1995 die de ministerraad vanmiddag bespreekt.

Door de nieuwe inzichten zijn de belastingramingen voor 1996 en 1997 bijgesteld. De afgelopen zes jaren werd door de Nederlandse economie weliswaar 23 procent meer geproduceerd, zo blijkt uit het onderzoek van Financiën, maar de belastbare inkomens bleven daar met een toename van 12 procent ver bij achter. Dit komt vooral omdat de twee belangrijkste vormen van inkomen, waarover belasting wordt geheven (looninkomen en winstinkomen van zelfstandigen) minder snel groeiden dan de economie als geheel. Een belangrijke reden daarvoor is de loonmatiging die werkgevers en vakbonden de afgelopen jaren betrachtten. De winstinkomens van grote vennootschappen groeiden relatief harder, maar worden tegen een lager gemiddeld tarief (35 procent, tegen vorig jaar 38,1 procent bij de lonen) belast. De overheid kreeg ook minder belasting en premies binnen als gevolg van matiging van de uitkeringen krachtens de Ziektewet en de WAO.

Voor een belangrijk deel heeft de overheid het ook aan zichzelf te wijten dat een steeds groter deel van de groei van het nationaal inkomen buiten de heffing van belastingen en premies valt. Zo werd in 1992 en 1994 in het kader van het inkomens- en werkgelegenheidsbeleid het arbeidskostenforfait extra verhoogd. Dat wil zeggen: bovenop de aanpassing aan de jaarlijkse prijsstijging. Het arbeidskostenforfait is een aftrekpost voor werkenden, die het belastbaar inkomen (het inkomen waarover belasting wordt geheven) verlaagt. Om de koopkracht op peil te houden werd bovendien de belastingvrije som verhoogd. Dat is het bedrag waarover geen belasting hoeft te worden betaald.

Ook door het fiscaal faciliëren van allerlei spaarvormen sneed de overheid zichzelf in de vingers. Zo kwam er met ingang van 1994 een vernieuwde spaarloonregeling. Werknemers konden hieraan deelnemen tot een maximumbedrag van 1541 gulden, dat jaarlijks wordt aangepast aan onder meer de prijsstijging. In 1994 namen ruim 1,5 miljoen en in 1995 ruim 2 miljoen werknemers deel aan de spaarloonregeling, zo blijkt uit het onderzoek van Financiën. Dit betekende dat in 1994 2,1 miljard gulden en in 1995 3 miljard gulden buiten de greep van de fiscus bleef.

Ook de omvang van de hypotheekrente-aftrek, die in de onderzochte periode met 40 procent veel harder steeg dan het bruto binnenlands produkt, remt de belastinginkomsten.