Gelukzoekers

Is het een teken van ouderdom dat je met meer graagte naar een boek grijpt dat een paar honderd (of duizend) jaar oud is dan naar een waarvan de inkt nauwelijks is opgedroogd? Het hoeft niet een onberaden vlucht uit het heden te zijn.

Ik heb niet zo'n hekel aan onze tijd als sommige anderen die nu nog met de Franse Revolutie overhoop liggen of van de Middeleeuwen dromen omdat toen de mensen, menen zij, door een gemeenschappelijk ideaal werden bezield. De Franse Revolutie was een noodzakelijk kwaad. De Middeleeuwen waren een groot ongemak, een koortsdroom in een krotwoning. Zes eeuwen geleden lagen er werelddelen te wachten om ontdekt te worden. Nu ligt de ruimte voor ons open. Er is voor avonturiers altijd werk aan de winkel. De lezer, ook een gelukzoeker, beleeft zijn opwindendste verkenningen in het lamplicht, wanneer de knalpotten van het verkeer zwijgen.

Het heden is een verwarring, een opeenhoping van ogenblikken, gebeurtenissen, uitingen, verschijnselen, smaken en ervaringen die ernaar haken geordend te worden. De belangrijkste ordening geschiedt door het in vergetelheid brengen, waarmee de mensheid onafgebroken bezig is, zowel uit zelfbedrog als uit zelfbehoud. Een beperkt aantal uitblinkers, meesterwerken en lotgevallen worden aan de vergetelheid ontrukt, omdat zij een historische waarde of betekenis bezitten. In de literatuur zijn het altijd dezelfde schrijversnamen en boektitels die terugkeren. De geschiedenis bedient zich van dezelfde veldslagen, verwikkelingen en dynastieën om de grote lijnen niet uit het oog te verliezen en de tijdgenoot de vermoeiende overvloed van details te besparen. Boekstaven is de kunst om te vergeten. Leren is beperken. Het heden dringt zich onbeschaamd aan onze herinnering op en misleidt onze weetgierigheid. Het verleden rechtvaardigt onze vergeetachtigheid en herstelt ons maatgevoel. Wanneer wij een paar honderd klassieken uit verschillende dode en levende talen lezen en herlezen beschikken wij over een benijdenswaardige en voorbeeldige belezenheid. Veel meer is er in de wereld niet te koop (ik heb het niet over de natuur of de materie) dan waarover een paar honderd genieën hebben nagedacht, dan wat zij hebben gevoeld, ervaren en zich verbeeld. Bij alle verschil in inzicht en lotgeval ontdekken wij bovendien dat zij dikwijls hetzelfde zeggen, in andere bewoordingen.

Het literatuuronderwijs overvalt de meeste jongelui op een leeftijd waarop zij er zich misschien het minst ontvankelijk voor betonen, druk bezig als zij zijn zich heel andere dingen in het hoofd te halen. Het ontbreekt jonge mensen niet aan begrip en voorstellingsvermogen. Het is eerder zo dat zij meer begrijpen en nieuwsgieriger zijn dan de meeste volwassenen, van wie wij maar al te vaak kunnen zeggen dat het mislukte kinderen zijn. Het ontbreekt hun aan de ervaring waardoor boeken, die wij in onze jeugd nietszeggend hebben gevonden, voor ons op latere leeftijd vol betekenis en allerboeiendst blijken te zijn. Het literatuuronderwijs worstelt met het probleem hoe men jonge mensen smaak moet bijbrengen voor wat zij misschien pas later zullen waarderen. Het zou willekeurig en chaotisch zijn wanneer het zich aan de grillen van een overgangsleeftijd onderwierp, terwijl het methodisch en desnoods streng moet wezen, teneinde de onwillige lezer een toekomst te verschaffen. Het doceert als een vak wat slechts als een liefhebberij wordt gerechtvaardigd, een afspiegeling van wat ook ons lezen zou kunnen of moeten zijn. Gelukkig de leerling die wordt ingewijd door een leraar die begrijpt dat hij niet veel meer kan doen dan de nieuwsgierigheid prikkelen, in de hoop dat zij later ontvlamt. Hij zal de al te grote meesterwerken niet uit de weg gaan maar er ook niet eindeloos bij stilstaan, om niet de schijn te wekken dat literatuur alleen maar schoonheid, loutering en ernst is.

Een van de charmes van het lezen van boeken uit een vroegere eeuw schuilt in de herkenning. Onze opvatting van de tijd als een voortgaand proces werkt zelfoverschatting in de hand. Het heden maakt ingebeeld en hoogmoedig. Lezend in boeken van vroeger ontdekken wij dat mensen lang geleden hebben gevoeld wat wij ook nu voelen, dat zij met dezelfde moeilijkheden hebben geworsteld die altijd van persoonlijke aard zijn en even 'historisch' als veldslagen en omwentelingen. Wij bemerken dat begenadigde enkelingen meer van onszelf hebben begrepen dan wijzelf, dat zij ons vooruit waren in inzicht, vrijheid en levensvreugde. Voltaire, Diderot, Chamfort, levend in hun onvergelijkelijke Franse achttiende eeuw, schreven in een stijl zo vrij van voosheid, moedwillige verfraaiing en gezwollenheid, dat wij hun geschriften kunnen lezen alsof het verschil tussen hun tijd en de onze is tenietgedaan. Onze leeshonger erkent door hen het voordeel van de matigheid, een dieet waardoor wij als lezers slank en in beweging blijven. Bovendien schenkt Voltaire ons 'du courage dans l'esprit', waaraan ook wij behoefte hebben, niet het minst in onze tijd. Uit zijn brieven spreekt een drang naar gezondheid, in een lichaam dat door ziekte en ouderdom werd geplaagd, een wil tot opgewektheid die over persoonlijke en algemene tegenslagen zegevierden. Het denken, door de romantiek en de erna opdoemende stromingen in discrediet gebracht, geniet bij Voltaire het aanzien van een instrument waarmee wij op z'n minst kunnen vaststellen 'ce qui n'est pas'. Hij gaat zelfs zover dat hij het hoger waardeert dan het kunstzinnige talent: 'J'aime mieux un siècle éclairé q'un siècle ignorant qui a produit sept ou huit hommes de génie. Racine et Boileau étaient des jansénistes ridicules. Pascal est un mort fou, et La Fontaine est mort comme un sot. Il y a bien loin du grand talent au bon esprit.' Het klinkt ook in onze tijd nog bijna als ketterij.