Einde joodse gemeenschap Cochin nabij

COCHIN, 21 AUG. Tijdens het wandelingetje van het 428 jaar oude synagogegebouw naar zijn vlakbij gelegen huis in de jodenbuurt van Cochin in de zuidwestelijke Indiase deelstaat Kerala, wordt het de 84-jarige meneer Cohen plotseling te machtig.

De bejaarde advocaat blijft staan in het stille straatje en roept met hese stem: “Ik begrijp al die malloten niet die zijn geëmigreerd naar Israel, ze hadden hier toch een fijn huis in Jew Town en een mooi inkomen, waarom moesten ze zo nodig weg?”

“Kijk daar”, gebaart Cohen, “dat was tot voor kort nog een joods huis en dat daar verderop ook. Nu zijn ze verkocht aan niet-joden. Zo gaat het nu al zo lang hier. Ik dank God dat hij mij geen kinderen heeft geschonken, want anders zouden die ook maar zijn geëmigreerd.” Na deze uitbarsting begeeft hij zich naar binnen om zich gereed te maken voor de sabbat, want daaraan heeft deze Oosterse uithoek van de joodse diaspora zich altijd streng gehouden.

De twintig resterende joden in Cochin, een havenstad waar de Portugezen, de Nederlanders, de Britten en de Indiërs de laatste eeuwen beurtelings de dienst uitmaakten, weten dat hun oeroude gemeenschap ten dode is opgeschreven. De laatste keer dat er een bruidspaar liep over de fraaie blauw-witte Chinese tegels van de synagoge was in 1978. Niet lang daarna werd het laatste kind geboren. Intussen zijn er nog elf mannen en negen vrouwen over. Onder hen bevinden zich drie 'jongeren', van wie de jongste 24 is en de oudste 36.

Elders in Kerala staan de joden er al niet beter voor. Er zijn nog een handvol kleine joodse gemeenschappen, die doorgaans nog minder toekomst hebben dan het vegeterende groepje in Cochin. In totaal overschrijdt hun aantal in Kerala de 70 niet meer. Ook in andere delen van India is de toestand somber. In Bombay zijn de meeste joden, zo'n 2.000, maar in Calcutta, dat vijftig jaar geleden zo'n 5.000 joden telde, zijn er nog maar tachtig over. De totale joodse populatie van India bedraagt naar schatting tussen de 4.000 en 5.000.

“Er is niets wat we tegen die neergang kunnen ondernemen”, zegt de 36-jarige Len Hallegua, die overdag op de voor toeristen opengestelde synagoge in Cochin past. “Zo rond 1970 zette die in, toen in korte tijd zo'n 120 joden besloten zich in Israel te vestigen. De mensen moeten natuurlijk in vrijheid beslissen waar ze zich willen vestigen, maar wij achterblijvers zijn wel vreselijk teleurgesteld dat het zover is gekomen.”

Over de vraag wanneer dit hoofdstuk van de diaspora aan de zogeheten Malabar-kust in het zuidwesten van India begon, verschillen de historici van mening. Volgens sommige versies arriveerden de eerste joden na de verwoesting van hun tempel in Jeruzalem door de Romeinen in de eerste eeuw na Christus. Anderen houden het er op dat ze drie eeuwen later kwamen. Er zijn echter ook historici die menen dat het begin van de gemeenschap ruim voor de jaartelling lag.

Pagina 4: Antisemitisme in India onbekend

Na een eerste bloeiperiode van de joodse gemeenschap in Cranganore, niet ver van Cochin, werd deze rijke plaats in 1524 volledig door islamitische groepen verwoest onder het mom dat de joden zouden hebben gezwendeld met peper, eeuwenlang het voornaamste uitvoerprodukt van deze contreien. Daarop vluchtten veel joden naar Cochin, waar de lokale maharadja hen in bescherming nam. In 1568 verrees de nieuwe synagoge, die er nog altijd staat, en bloeide de gemeenschap weer op.

De peperhandel bleef eeuwenlang een belangrijke bron van inkomsten voor de joden van Cochin. Hoewel ze daarin tegenwoordig geen rol meer spelen, staat er om de hoek van de synagoge nog steeds een peperbeurs, waar handelaren prijzen naar elkaar schreeuwen. In de belendende straatjes hangt een doordringende geur van kruidnagelen en andere specerijen.

De joodse gemeenschap in Kerala was niet homogeen. Er bestond een verschil tussen de donkere joden, die al omstreeks het begin van de jaartelling zouden zijn gearriveerd, en de blanke joden, die pas enkele honderden jaren geleden naar zuidwestelijk India kwamen en mede wegens hun huidskleur al gauw als een soort hogere kaste golden. Tot die laatste groep behoorden de voorouders van Len Hallegua, die in 1514 naar India kwamen.

Weer een andere theorie wil dat de donkere joden pas vier eeuwen geleden uit Irak zijn gekomen. Hallegua zelf, gekleed in een Westerse broek, een T-shirt en met een keppeltje op het hoofd, zegt echter dat zulke superioriteitsgevoelens allang geen rol meer spelen. Wel geeft hij toe dat de joden van de 'blanke' synagoges doorgaans financieel beter af zijn.

De resterende joden van de synagoge van Cochin zijn artsen, ingenieurs, zakenlui en advocaten.

Aangezien de joodse gemeenschappen in Kerala vaak maar klein waren, wijken hun gewoontes dikwijls af van die van plekken op aarde waar meer joden bijeen zijn. Zo stelt men het in Cochin al sinds mensenheugenis zonder een rabbijn. “Die hebben we ook niet nodig”, aldus Hallegua, “want we hebben altijd genoeg mannen gehad die geheel vertrouwd waren met onze belangrijke boeken en het Hebreeuws. Wij allen spreken Hebreeuws.”

De joden van Cochin hebben één slager, die zorgt voor kosjer kippenvlees. Van rundvlees hebben de joden in de door hindoes overheerste stad afgezien. Problemen met de overige geloofsgemeenschappen hebben de joden hier zelden gehad. Antisemitisme, dat de joden elders in de wereld dikwijls tot zulke diepe wanhoop bracht, is in India een onbekend fenomeen.

Hoe weinig men in Cochin door trauma's van dien aard wordt achtervolgd, blijkt uit het feit dat er op een paar straten van de synagoge een flatgebouw met de naam 'Swastika-kolonie' staat. Nog dichterbij roept een muezzin tot het middaggebed in de moskee. Geen enkele jood in Cochin stoort zich aan zulke zaken.

De joden van Kerala hechten er sterk aan dit te onderstrepen voor hun gemeenschap voorgoed zal zijn verdwenen. “Als dit gebeurt”, aldus een gidsje van de synagoge van Cochin, “kan de geschiedenis boekstaven dat hun emigratie niet werd ingegeven door onverdraagzaamheid of discriminatie van de kant van de regering en ook niet door externe politieke of sociale druk maar door hun diep-religieuze wens om te leven en te sterven in het Heilige Land.”

Len Hallegua, die nog ongetrouwd is maar daarin op termijn verandering hoopt te brengen door een huwelijk met een joodse vrouw, is zelf ook in Israel op bezoek geweest.

“Het is een prachtig land. Ik heb er zeer goed rondgekeken, want ik besefte dat ik er na het doodbloeden van onze gemeenschap in Cochin wel eens voorgoed terecht zou kunnen komen.”