Brabantse boerenbond verloor vuurkracht

T. Duffhues: Voor een betere toekomst, het werk van de Noordbrabantse christelijke boerenbond voor bedrijf en gezin 1896-1996, Valkhof Pers, ISBN 90-5625-008-6 (geb.), prijs ƒ 74,50

De invloed van de boeren in Noord-Brabant is tanende. “Zelfs op het platteland zijn ze hun toonaangevende positie kwijt.” Dat stelt de antropoloog dr. T. Duffhues in het boek Voor een betere toekomst dat hij schreef naar aanleiding van het eeuwfeest van de Noordbrabantse christelijke boerenbond NCB. Maar het uitgangspunt van wat nog altijd wordt beschouwd als een van de machtigste agararische standsorganisaties (ruim 25.000 leden) bleef overeind: behartiging van de belangen van het gezinsbedrijf, ook nu - of misschien wel juist omdat - dat gezin als hoeksteen van de samenleving onder zware druk is komen te staan.

Duffhues' boek van meer dan 400 bladzijden mag gerust een standaardwerk worden genoemd; niet alleen door de omvang maar zeker ook door de wijze waarop hij 100 jaar boerengeschiedenis heeft opgeschreven. Die is zelden vervelend, want doorspekt met menige anekdote. Duffhues behandelt de geschiedenis met de nodige wetenschappelijke distantie, zodat het beslist geen heldenepos is geworden. Hij mocht vrijelijk beschikken over de archieven van de NCB.

Het boek bevat talrijke documenten en foto's. Korenschoven met in hun midden een levensgroot kruisbeeld; een naar een boerderij oprukkend stadsdeel als symbool van wat er aan de hand is anno 1996, foto's van NCB-demonstraties in de jaren tachtig naar Den Haag. En natuurlijk het bord “Den Haag we zijn het zat” tegen het mestbeleid van het zittende kabinet dat men nu nog allerwege in het Brabantse land tegenkomt.

Maar het lijken achterhoedegevechten te zijn. Waar vertegenwoordigers van de NCB zich tot in het midden van de jaren tachtig machtig waanden doordat velen van hen in de plaatselijke, provinciale en landelijke politiek hun tentakels hadden, wat ook een bewust NCB-beleid was, is de organisatie tegenwoordig aangewezen op de luim van de Haagse besluitvormers en heeft het groene front veel van zijn vuurkracht verloren, nadat duidelijk werd dat een beter evenwicht tussen landbouw en milieu van levensbelang is voor de komende generaties. “In het begin van de jaren negentig ontstond er ”, schrijft Duffhues, “een vertrouwensbreuk tussen de boeren en tuinders en het CDA als 'hun' partij.” Het was uitgerekend een CDA-minister van landbouw, de Brabander G. Braks, die in het midden van de jaren tachtig een rem zette op de tot dan toe ongebreidelde groei van de intensieve veehouderij. Dat kwam hard aan, maar gaandeweg ontdekte de organisatie dat dwarsliggen ten aanzien van milieumaatregelen op den duur alleen maar tegen haar werkt en kwam ze zelf met een eigen actief milieubeleid. Zelfs werden hier en daar verbonden gesloten met milieuverenigingen.

De NCB ontstond in 1896 op initiatief van de Norbertijner pater Gerlacus van den Elsen en de Peelontginnner Dominicus van Ophoven. Protestantse boeren mochten wel lid worden, maar kregen geen stemrecht. De (liberale) Brabantse Maatschappij van Landbouw werd op een zijspoor gezet. De burgemeesters maar meer nog de roomskatholieke geestelijkheid oefenden grote invloed uit. Als de boeren nog geen lid wilden worden dan werd Van den Elsen persoonlijk opgetrommeld om te twijfelaars over de streep te trekken.

Van den Elsen had de boerenbond opgericht als een instrument voor katholiek-emancipatoire en materiële ontwikkeling. Een dergelijke organisatie moest een dam opwerpen tegen de gevaren die het platteland belaagden, zoals industrialisatie, verstedelijking en ontkerkelijking. Een geschiedenis die zich nu, 100 jaar later, herhaalt.

In de jaren twintig veroordeelde de NCB wereldse vermaken als kermis en carnaval ongemeen fel, schrijft Duffhues. “Het ging ten koste van de boerenziel.” Het eigen weekblad gaf het advies propagandisten van geboortenbeperking met de dorsvlegel van het erf te jagen. De groei van het aantal leden was spectaculair. Op een gegeven moment was de organisatiegraad gestegen tot bijna 100 procent. De Brabantse boerenstand was in die tijd overwegend arm. Hoewel de NCB ook leden had in het veel vruchtbaardere Zeeuws-Vlaamse kleigebied, kwamen de meeste toch van de “arme zandgronden”.

In de begintijd was het aantal boeren in het bestuur minimaal. Van den Elsen vond dat de boeren zelf te onmachtig en te arm waren om bonden en verenigingen op te richten. Zouden ze eenmaal materieel maar ook geestelijk verheven zijn dan zouden de bekwamen onder hen vanzelf naar boven komen, wat later ook uitkwam.

“De NCB heeft”, zo besluit Duffhues zijn boek, “honderd jaar lang een veelzijdige bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van landbouw en platteland en heeft moderne met traditionele elementen gecombineerd en zo aan het moderniseringsproces een eigen kleur gegeven. Ze bleef balanceren op het evenwichtskoord tussen economische en technologische vooruitgang aan de ene kant en haar streven naar het behoud van zoveel mogelijk gezinsbedrijven aan de andere kant.”