Meelfabriek De Sleutels heeft vooral 'getuigende waarde'

1996 is het jaar van het industriële erfgoed. Onder dit begrip wordt een veelomvattende reeks historische objecten verstaan. Daartoe behoren in de eerste plaats oude fabrieken en werkplaatsen die vaak hun oorspronkelijke functie verloren hebben en met sloop worden bedreigd. Soms krijgt zo'n gebouw een nieuwe bestemming. De toekomst van de meelfabriek, een van de laatste van de zeventig stoommeelfabrieken die er eind vorig eeuw in Nederland stonden, is al jaren onderwerp van discussie in Leiden. “De meelfabriek is een puist die onze plannen in de weg staat”, aldus de betrokken wethouder. Zesde deel in een serie.

Leids fabrikaat, een stadwandeling langs het industrieel erfgoed, onder redactie van C.B.A. Smit en H.D. Tjalsma. Utrecht 1990.

H. Tjalsma, meelfabriek 'De Sleutels', Leiden. Uit: P. Nijhof & Ed. Schulte, herbestemming van Industrieel Erfgoed, Zutphen 1994.

Op het eerste gezicht is meelfabriek De Sleutels niet het toppunt van schoonheid. De steenmassa, die hoog boven de oostelijke binnenstad van Leiden uittorent, is plomp en kolossaal. Het complex, een mengelmoes van stijlen en bouwperioden, straalt vooral somberheid uit.

Meel wordt er al bijna tien jaar niet meer geproduceerd in De Sleutels, die nog altijd eigendom is van het Rotterdamse bedrijf Meneba. Een groot deel van de machinerie is na de sluiting verkocht aan een ontwikkelingsland. Anno 1996 is de fabriek, een van de laatste van de zeventig stoommeelfabrieken die er eind vorige eeuw in Nederland stonden, onder meer in gebruik als atelier, bedrijfsruimte, opslag voor partytenten en containers en stalling voor een oliebollenkraam.

De toekomst van de meelfabriek is al jaren onderwerp van discussie in Leiden. Als het aan het gemeentebestuur ligt, gaat de fabriek tegen de vlakte om plaats te maken voor een park om zo de veelal nog intacte singelgordel rond het Leidse centrum in oude glorie te kunnen herstellen. Wethouder T. van Rij (volkshuisvesting en ruimtelijke ordening), die monumentenzorg in zijn portefuille heeft, windt er geen doekjes om: “De meelfabriek is een puist die onze plannen in de weg staat. Het is een monument dat niet leeft.”

De fabriek is een van de weinige complexen die nog herinneren aan het industriële verleden van Leiden. De stoommeelfabriek werd in 1884 opgericht door A. de Koster, handelaar in granen, zaden en meel, en A.J. Koole, eigenaar van een Leidse korenmolen. Zij zetten een uiterst moderne fabriek neer met onder meer een pneumatische losinrichting, elektrische verlichting, automatische weegschalen en walsenstoelen in plaats van molenstenen. Er kwamen circa dertig mensen te werken, die 20 tot 30 ton graan per etmaal verwerkten.

Het bedrijf groeide voorspoedig: na de Tweede Wereldoorlog behoorde De Sleutels tot de grootste meelfabrieken van Nederland. In 1959 bedroeg de produktiecapaciteit zo'n 550 ton per dag en was naar schatting een vijfde deel van de Nederlandse bevolking voor zijn meel afhankelijk van De Sleutels. In 1964 werd de fabriek eigendom van Meneba. Nadat dit bedrijf medio jaren tachtig te kampen kreeg met overcapaciteit, werd De Sleutels in 1988 gesloten en de produktie overgebracht naar Rotterdam.

Sindsdien liggen gemeente en monumentenbeschermers met elkaar overhoop over de vraag of het gebouw behouden moet blijven of niet. Tegenstanders wijzen er op dat het complex een allegaartje is: het ketelhuis, het oudste gebouw, dateert uit 1896, de silo uit 1904. Het pakhuis en de moleninstallatie dateren uit de jaren dertig. “Qua esthetiek en stijlvastheid scoort dit gebouw niet hoog”, geeft J.P. Corten van het Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE) in Zeist toe. “Het is geen fraai voorbeeld van classicisme of nieuw bouwen. De nieuwste gebouwen zijn zakelijk van stijl, de oudere gebouwen herbergen meer klassieke elementen. Uitgaande van de traditionele criteria die Monumentenzorg hanteert, is de meelfabriek dus weinig bijzonders.”

Wel bevat De Sleutels een aantal karakteristieken. Zo is het dak van het ketelhuis - een gewelfconstructie van 15 meter - uniek voor industriële complexen. De constructie werd in de vorige eeuw vrijwel uitsluitend toegepast in stations. De silo is vermoedelijk het eerste pakhuis in Nederland geweest dat geheel is opgetrokken uit gewapend beton, dat pas omstreeks 1900 algemeen werd toegepast. Kenners roemen voorts de paddestoelvloeren in het pakhuis: deze rusten niet op dwarsbalken, maar worden ondersteund door achthoekige pilaren met een achthoekige kop.

Het gaat Corten van het PIE vooral om de 'getuigende waarde' van De Sleutels: “Wat vertelt de fabriek over de geschiedenis van de Nederlandse meelproduktie? Dan blijkt het een heel educatief gebouw: het ligt, heel karakteristiek, in het westen van het land (omdat daar ook in de vorige eeuw al de meeste mensen woonden), langs het water (voor de aan- en afvoer van grondstoffen en produkten) en aan de rand van de stad waar meer fabriekspanden stonden, zoals een ijzersmederij, een textielfabriek en een groentenconservenfabriek.”

Een andere reden om het gebouw, mooi of lelijk, te laten staan, aldus Corten, is het feit dat het een symbool is voor de recente sociaal-economische geschiedenis van Leiden. “Zo'n fabriek staat voor veel negatiefs, zoals klassentegenstellingen, armoede en milieuvervuiling. Niet direct iets waar een gemeentebestuur trots op is. Maar het gaat om een stuk verleden waar je zicht op hebt, een herkenningspunt voor het collectief geheugen en dat alleen al is voor ons een argument om het te behouden.”

De Rijksmonumentenlijst, waarvoor De Sleutels enige jaren geleden genomineerd was, heeft geen uitkomst kunnen bieden. Monumentenzorg vond het gebouw te onhandig en herbestemming te ongewis om het op de lijst te plaatsen. Corten: “De Sleutels lijdt onder het feit dat monumentenbeheerders nog altijd vooral letten op mooie geveltjes.”

Voorlopig ligt het lot van de meelfabriek in handen van eigenaar Meneba, die het pand nog jaren na de sluiting gebruikte als opslag voor graanoverschotten maar het nu wil verkopen en een projectontwikkelaar in de arm heeft genomen om de grond zo duur mogelijk te kunnen verkopen. De onderhandelingen tussen gemeente en Meneba willen echter niet vlotten: de Australische eigenaar van Meneba vraagt volgens de gemeente circa 10 miljoen gulden, een prijs die Leiden nimmer zal kunnen opbrengen, aldus wethouder Van Rij. Bovendien heeft Leiden baat bij een zo laag mogelijke verkoopprijs om de hoge sloopkosten van de fabriek en de aanleg van het park te kunnen betalen. “Om dit alles te financieren ontkomt de gemeente er toch al niet aan om bijvoorbeeld een slanke woontoren in het park neer te zetten”, aldus Van Rij. “Echt mooi is natuurlijk alleen een park, maar dat is niet betaalbaar.” Verbouwing van de fabriek tot woningen is niet mogelijk, aldus de wethouder. “Dat is duurder dan nieuwbouw.” Maar, bezweert de lokale bewindsman, als iemand, zonder exploitatieverlies, een museum in de meelfabriek wil huisvesten, dan is die van harte welkom voor een goed gesprek met B en W.