Knutselpunks zijn een verrijking voor de stad

Het kraken van leegstaande panden begon in de jaren zeventig. Soms ging het bezetten of ontruimen gepaard met geweld. Wat is er geworden van de bezette gebouwen uit die tijd? Deel één van een serie.

EINDHOVEN, 20 AUG. Luk Sponselee is trots op zijn grote kraakpand. Bij het afscheid wijst hij nog eens op de voorkant van het oude gebouw aan de Dommelstraat, in het centrum van Eindhoven. “Die gevel was een prachtig monument. Is het niet doodzonde, dat ze daar twintig jaar geleden die lelijke, gigantische garagedeur in hebben gezet?”

Boven de ingang staat met grote letters Van den Briel & Verster. Het is een voormalige linnenfabriek, op een steenworp van de Dommel. De onderneming stond tot ver buiten de lichtstad bekend om zijn traditionele kwaliteit. “Maar de linnenkast werd de katoenkast: de fabriek hield op”, zo kan men lezen in het Streekarchief Regio Eindhoven. Het einde kwam begin jaren zeventig, na een bestaan van ruim honderddertig jaar.

Sponselee (36) herinnert zich nog precies, hoe het kraakproces verliep. In 1984 sloegen hij en vier vrienden hun slag, twee jaar nadat de politie het pand als stalling voor gestolen auto's en fietsen had ontruimd. “Prompt kwam de gemeente op ons af. De heren vroegen wat we daar wilden. Ze wezen erop dat het gebouw op instorten stond. Nou, dat vonden wij niet. Het einde van het liedje was dat we het gratis mochten gebruiken.”

Niet om in te wonen - de vijf bezetters van het eerste uur zochten ruimte voor wat Sponselee noemt “onze manier van leven”, die vooral bestond uit musiceren. Tot dan toe speelden hij en zijn makkers in bands als Vovokai en De Zesde Kolonne, die hun thuis hadden in de Effenaar, een tegen het kraakpand leunend jeugdcentrum. “Daar moesten we weg”, weet Sponselee nog.

Eenmaal verkast breidde het gegroeide gezelschap zijn activiteiten uit. Officieel ging het zich Stichting De Zesde Kolonne noemen, maar de gemeente sprak steeds van “knutselpunks”.

“We maakten niet alleen muziek, we gingen ook decors bouwen en schilderen”. vertelt Sponselee. “Later ontstond een soort multi-mediumgezelschap: we begonnen dia's te vertonen, we maakten theater, deden performances en zo. Het is nog steeds onze lust en ons leven, dat optreden in zaaltjes en kroegen. We gaan met z'n vieren, soms ook met zes, zeven of meer mensen.” Sponselee voegt er aan toe dat ze geen professionele artiesten zijn. “Het gebeurt allemaal kleinschalig, we verdienen er weinig aan. De meeste van ons hebben een uitkering, een enkeling heeft een Melkertbaan, anderen zijn kleine zelfstandigen of werken in deeltijd. Iedereen woont in de stad, op een eenvoudige kamer, of soms in een gekraakt pand.” Sponselee zelf trekt van de sociale dienst, maar hij hoopt op betere tijden. “Ik ben druk bezig met video en zelfs als cineast”, zegt hij enthousiast. Hij werkt aan een kleine film, “een sprookje over de geboorte van de maan”, vervolgt hij, terwijl hij een rondleiding geeft in de fabriek. “Toen we hier kwamen, waren er alleen zes pilaren in het kale gebouw, om de zaak overeind te houden. Met onze eigen handen en met beperkte financiële middelen hebben we gerestaureerd en vertimmerd. Stukje bij beetje.”

Het geheel oogt chaotisch, hier en daar is het stoffig en er slingeren lege bierflesjes, maar het is sfeervol. In de oude kantine van de (nu weer) vrijwel waterdichte fabriek staan op de betonnen vloer een bar met krukken en een concertpodium. Uit een klein, afgesloten hok klinkt het geluid van een repeterende band. Beneden en boven zijn twaalf ruimten afgetimmerd: van kachels voorziene werkplaatsjes voor elektronica, metaal en hout.

Er zijn inmiddels ook een zeefdrukkerij, een grafisch atelier en een fotostudio, sommige zelfs voorzien van fax en telefoon. Sponselee is extra trots als hij zijn eigen lokaal passeert. Daar zit een stagiaire achter een computer in de videoruimte, waar hij films kan maken. De fabriekshal van vijftig bij vijfenvijftig vierkante meter omschrijft Sponselee “als een industrieel monument”. En hij is voor van alles geschikt, laat hij daar op volgen.

Stichting De Zesde Kolonne heeft het beheer van het gebouw inmiddels overgedragen aan een werkgroep die Sponselee omschrijft als “de autonome republiek, oftewel 2B”. “2B is de paraplu, die zorgt voor het onderhoud, voor de coördinatie van de ateliers en voor allerlei acties: concerten, voordrachten, tentoonstellingen. Ook derden maken wel eens gebruik van onze ruimten. Ze moeten wel alles zelf organiseren, wij hebben geen tijd en mensen om bij te springen. Soms zijn er repetities voor een modeshow, geluidsmannen willen hier wel eens iets uitproberen en het Van Abbemuseum heeft hier foto's laten maken. Wie rijk is, moet er een behoorlijke huur voor betalen. Aan armeren vragen we minder.”

Volgens Sponselee heeft het kraakpand de deur open gehad voor alle culturele uitingen. “Intussen vinden ze het op het gemeentehuis, van de VVD tot de PvdA, prima dat we hier zitten. Maar ze kunnen er verder niks mee. Geen financiële steun of zo om onze kosten te verlichten. Het woord kraakpand is nu eenmaal beladen maar we zijn een verrijking voor de stad.”

De oude linnenfabriek is dag en nacht open. “Vierentwintig uur lang maken we hier onze eigen sfeer. Van rock naar techno, van poëzie naar metaal, van hout naar zeefdruk. Wij opereren in de alternatieve underground. Het culturele leven in Eindhoven staat positief tegenover ons. Het beseft dat deze stad wel vaart bij het experiment, bij aparte ideeën. En bij de gekkigheid van ons, van de punkgolf uit de jaren zeventig.”

    • Guido de Vries