Kleur van het voetbalshirt is bijzaak geworden

Met Roda JC-Feyenoord begint vanavond het nieuwe voetbalseizoen. In de eredivisie zijn steeds meer buitenlandse spelers actief. Kan de trouwe supporter zich nog wel vereenzelvigen met zijn club?

ROTTERDAM, 20 AUG. Wie heeft nog een blauw-wit hart, een rood-wit hart of misschien een geel-zwart hart? Wie heeft nog een voetbalhart? Ze zullen er nog zijn, de mensen die zich vereenzelvigen met de kleuren van hun club. Maar wie van hen zich dezer dagen nog waagt aan een bezoek van een stadion, wordt van de sokken gelopen door heren en dames die geen druppel voetbalbloed in hun aderen hebben. Voetballen wordt beheerd door opportunisten die vandaag zeggen het voetbal te beminnen en morgen de opera.

De aanwezigheid van het promiscuë volk schijnt noodzakelijk te zijn om het commerciële voetbal in leven te houden. Zonder hun optrekjes met uitzicht op de middencirkel en zonder hun geld kan er niet meer met kans op succes om de hoogste prijs worden gevoetbald. “Kijk, daar zitten ze nou en ze waven mee, de mensen die onze beste spelers hebben bekostigd”, wordt op gepaste afstand van de ereloges geroepen. Want de voetballiefhebber is gevoelig voor zoveel medeleven en toont dat door juichend, zingend en wavend van zijn duurbetaalde zitplaats op te staan. Dit is het voetbalgevoel en wie zeurt draagt voetbal geen warm hart toe, die vraagt om verwijdering uit de tempel.

Op het veld staan vreemde spelers, geen spelers die ze kennen uit het dorp. Van innige betrokkenheid, laat staan familiale banden is nauwelijks sprake. Nog niet zo lang geleden meenden profclubs dat hun bestaan pas was verzekerd wanneer spelers werden aangetrokken die uit de omgeving kwamen. Spelers waarmee het publiek zich kon vereenzelvigen. Afwijzend werd PSV genoemd als de club die geen enkele binding met haar achterban onderhield door alleen maar spelers van verre te halen. Tegenwoordig is ook de selectie van Ajax, dat zich wil profileren als één grote familie, voor ruim dertig procent van buitenlandse afkomst.

Zodra een Moldaviër of een Chinees een groen-zwart shirt aantrekt, wordt hij aan de borst gedrukt van degenen die een groen-zwart hart dragen. Hij wordt toegeëigend als een exotisch bezit en schreeuwt voor de meest clublievende tv-zender dat hij altijd al in hart en nieren groen-zwart wilde zijn. Wanneer de reservebank gaat vervelen verruilt hij zijn groen-zwarte hart voor een geel-blauw; dat dat van de aartsrivaal is, is bijzaak. De clubgetrouwe supporter verjaagt hem als een deserteur, maar omarmt nog dezelfde dag een nieuwe vreemdeling. En de voorzitter draagt een groen-zwarte pet en sjaal en zegt dat zijn club over de hele wereld familie heeft.

Exotische spelers zijn nodig als basilicum voor een Italiaanse gerecht. Een hutspot met eenheidsworst gaat vervelen. Heerlijk zijn die Afrikaanse, Braziliaanse en Joegoslavische ingrediënten ter afwisseling. Vroeger liep de stad uit als de club van je hart een Hongaar had gekocht. Hij werd de publiekslieveling, zolang hij maar scoorde en de echte clubjongens niet uit het elftal hield. Zweden en Denen pasten zich gemakkelijk aan, maar warmbloediger types hadden het moeilijker. Lang werd gewacht op een Braziliaan, en toen hij er eenmaal was, scoorde en ongekende balvaardigheid toonde, werd zijn Braziliaanse gedrag bekritiseerd.

Romario hield zich lang staande, maar stuurde regelmatig aan op vervroegd vertrek. Zijn even grillige als talentvolle landgenoot Ronaldo ontvluchtte het zeeklimaat sneller en verdient nu in Spanje meer geld dan hij ooit in Nederland had kunnen krijgen. Zoals de Nigerianen Finidi en Kanu zagen dat Nederland een landje is met beperkte mogelijkheden. En familiebinding hebben ze genoeg met al hun bloedverwanten, die laten ze zich niet opdringen.

De recente ontwikkelingen hebben de grenzen doen verdwijnen. Het begrip nationale competitie is bijna achterhaald. Gisteren toonde de Spaanse tv-zender TVE een wedstrijd tussen Real Madrid en Athletic de Bilbao. Bij Real speelden een Kroaat, een Joegoslaaf, een Portugees, een Nederlander, een Braziliaan en een Argentijn mee; de trainer was een Italiaan. Real vormde een bekoorlijk gezelschap en het Koninklijke wit stond alle spelers prachtig. Maar zouden er aanhangers zijn die een speler persoonlijk kennen? Is er nog wel sprake van een emotionele band?

Ajax, PSV en Feyenoord zijn de favorieten voor de Nederlandse titel. Traditie, macht en geld bepalen in het commerciële voetbal de hiërarchie. Welke spelers de toon zetten maakt niet uit. Als rood en wit maar wint. Zondag was een Belg de held van het duel tussen Ajax en PSV, in de Duitse competitie was een Nederlander topscorer, in Engeland een Italiaan. Taal en afkomst vormen geen probleem meer. De voetbaltaal is universeel. Voetballen kan iedereen en overal. De kleur van het shirt is bijzaak zolang er betaald wordt. Maar het voetbalhart staat stil, het is koud in de stadions. Voetbal wordt gevoed met slangetjes en pompen. Misschien dat in het dorp nog een leuk clubje is met een leuke kantine en een leuke man achter de bar. Een club waar je je thuisvoelt.