Jong Suriname moet zuinig leren zijn op eigen geschiedenis

Het afbranden van het parlementsgebouw op 1 augustus heeft de aandacht gevestigd op het povere archiefbeheer in Suriname. Uniek historisch materiaal dreigt volkomen nodeloos verloren te gaan, waarschuwt Wim Hoogbergen, vooral door laksheid van de overheid.

Iedere Surinamer kent de geschiedenis van de slaven Kodjo, Mentor en Present. Zij waren 'weggelopen' en woonden dichtbij Paramaribo, in hutjes. Op een dag besloten ze, onder invloed van drank, naar de stad terug te keren en brand te stichten. Hun opzet was de huizen van hun voormalige meesters in de fik te steken, maar omdat ze daar bang waren voor herkenning besloten zij een naburig pand aan te steken. Er stond een flinke wind, dus de brand zou wel overslaan. Dat gebeurde inderdaad en in de nacht van 3 op 4 september 1832 brandde zo een groot deel van Paramaribo af. Men pakte de daders een tijd later op. Als straf werden zij levend verbrand.

In 1981 deed ik in Paramaribo onderzoek in de archieven van het Hof van Justitie. In dit archief bevonden zich de originelen van alle rechtszaken die sinds 1828 in Suriname gevoerd zijn. Een historisch zeer belangrijke bron die ik bijvoorbeeld gebruikt heb om de geschiedenis van een deel van de Surinaamse marrons (weggelopen slaven) te reconstrueren. Dit archief lag ongeordend - volslagen door elkaar en deels op de grond - in de kelder van het kantongerecht. Ik kreeg de sleutel van de kelder en een tafel om aan te werken. Systematisch, in de zin van links beginnen en rechts eindigen, kon ik alle stukken doorwerken. Ik beschikte over een (voorlopige) inventaris van dit archief, acht jaar eerder gemaakt door de Leidse historicus Smit. Op die lijst kon ik aanstrepen wat ik doorgenomen had.

Toen ik na een week of acht de hele kelder had bekeken, bleek ongeveer eenderde van de stukken die in de inventaris voorkwamen niet aanwezig. Niemand kon me vertellen waar die waren. Ik miste bijvoorbeeld de stukken van de rechtszaak tegen Kodjo, Mentor en Present. Nu had ik die stukken niet echt nodig, want die zijn voor het grootste deel in 1842 al gedrukt (in M.D. Teenstra's, De negerslaven in de kolonie Suriname en de uitbreiding van het Christendom.) Later bleken de stukken bij iemand thuis te liggen.

Een paar jaar nadat ik in dit archief werkte, brandde het kantongerecht af. In hoeverre de stukken die in de kelder lagen allemaal verloren zijn gegaan, weet ik niet. Na een brand blijft soms nog heel wat over, want het duurt even voor dikke, opeengestapelde massa's papier helemaal verloren zijn. Maar alle stukken waren in elk geval zwaar gehavend en kletsnat. Daarna is geen enkele aandacht besteed aan conservering of redding van het archief. Het papierpuin is op vrachtwagens geladen en ergens opgeslagen.

Ik ben een Nederlander en daarom altijd wat voorzichtig met kritiek op Suriname. We hoeven niet altijd met het geheven vingertje voorop te staan, maar wat de Surinaamse archieven betreft hebben de achtereenvolgende Surinaamse regeringen er een potje van gemaakt. De zorg voor de archieven valt sinds 1954, het jaar van het Statuut voor het Koninkrijk, waarbij Suriname binnenlandse autonomie kreeg, onder de Surinaamse overheid. Enige interesse voor archiefbeheer en -conservering heeft die overheid nooit getoond. Suriname heeft een uitstekende landsarchivaris, Herman Telgt, die aan de Doekieweg probeert te redden wat er te redden valt. De zorg voor de archieven schijnt Telgt voor een groot deel uit eigen middelen te doen en met behulp van materiaal dat hij vaak persoonlijk in Nederland ritselt. (Schenkingen als kasten, dozen, stellingen, etcetera). De Surinaamse Archiefwet bepaalt dat de overheidsarchieven na een bepaalde tijd overgedragen dienen te worden aan het landsarchief, maar dat gebeurt nauwelijks.

Het is de grote vraag waarom de Surinaamse overheid zo slecht met zijn archieven omspringt. Desinteresse, een slechte taakopvatting en vooral natuurlijk lak aan de bevolking. Bovendien: via de archieven wordt de overheid gecontroleerd. Slechte archivering is ook het bewijs voor slecht beleid. De stukken die geschreven worden, zijn blijkbaar dermate onbelangrijk, dat ze later nooit meer opgezocht hoeven te worden. Geldgebrek kan nooit echt de reden geweest zijn. De miljoenen voor een betere archiefdienst, inclusief een splinternieuw, goed-geoutilleerd gebouw, liggen al jaren in Nederland klaar, mits de Surinaamse regering maar eens de nodige (ook al klaarliggende) brieven zou willen ondertekenen, dat zij akkoord gaat met deze 'hulp'. Dat ligt blijkbaar te gevoelig, want van Surinaamse kant wordt geen enkel initiatief getoond. Een huilende minister bij een brandende puinhoop maakt op mij niet zoveel indruk, tenzij hij huilt om zijn eigen wanbeleid.

Vrijwel iedere onderzoeker heeft zo zijn eigen frustraties over het Surinaamse archiefwezen - en ik heb de mijne. In Nederland liggen in het archief van de Rekenkamer de meer dan 36.000 namen van alle Surinaamse slaven die in 1863 'geëmancipeerd' (vrijgelaten) werden, met vermelding van sekse, leeftijd, religie, type werk dat zij deden en familiebetrekkingen. In Suriname liggen de zogenaamde Emancipatieregisters. Die bevatten alle familienamen die de slaven in 1863 kregen. Combinatie van beide bronnen zou het mogelijk maken een boekje samen te stellen waarin een nazaat van in 1863 geëmancipeerde slaven op grond van zijn achternaam zou kunnen opzoeken: van welke plantage hij afkomstig is, wie zijn voorouders (in vrouwelijke lijn) in 1863 waren, hoe oud die in 1863 waren, welk beroep die voorouders uitoefenden, etcetera. Verder valt ook te achterhalen welke slavennaam de geëmancipeerde had, zodat genealogisch geïnteresseerden in de slavenregisters verder onderzoek kunnen doen. Maar dit boek komt er dus al jaren niet, omdat de afdeling Bevolkingszaken in Suriname (waar de Emancipatieregisters liggen) elke medewerking weigert.

Zonder enige reden, want strikt genomen horen deze stukken daar niet eens te liggen. Zij horen in het landsarchief en volgens de Surinaamse Archiefwet zijn zij openbaar. Brieven met het verzoek om een en ander te mogen filmen - opdat, mocht eens een brand uitbreken, de gegevens in elk geval nog op microfilm staan - worden niet beantwoord. In 1994, toen ik zelf in Suriname bij de dienst langsging, kreeg ik van de directeur te horen: “Mijnheer, schrijft u maar een brief waarin u een en ander uitlegt.” “Maar ik heb hier kopieën bij me van vorige brieven.” “Geen interesse. Mijnheer, schrijf een brief. Het gaat hier om de bescherming van privacy. Ik moet de toestemming van de minister hebben.” Dus nog dezelfde dag een brief geschreven en persoonlijk overhandigd. Nooit meer iets van gehoord. Een Surinaamse vriend heeft me uitgelegd dat ik een en ander helemaal verkeerd aanpak. Ik moet een commissie samenstellen, waarvan deze man voorzitter wordt. De voorzitter van de commissie dient een flink bedrag te krijgen voor zijn inspanningen. Dan zal alles lukken. Dan maar geen boek, denk ik dan.

Ik word er soms wat cynisch van, maar als straks het Bureau Bevolkingszaken afbrandt, kan ik in elk geval weer een project als afgesloten beschouwen.

    • Eind van Oso
    • Tijdschrift voor Surinaamse Taalkunde
    • Wim Hoogbergen