Installatie 'Op het dak' van Ilya Kabakov heeft reuzenformaat; Scharrelaars en bruidsparen dicht op de hielen van de verloren tijd

Tentoonstelling: Ilya Kabakov. Op het Dak. T/m 7 sept. Paleis voor Schone Kunsten, Ravensteinstraat 23, Brussel. Di t/m zo van 10-17u.

Werkelijkheid en fictie zijn sterk met elkaar verweven in de de reusachtige installatie, getiteld 'Op het dak', die door de Russisch-Oekraïense kunstenaar Ilya Kabakov (1933) voor het Brusselse Paleis van Schone Kunsten is ontworpen. In een museumzaal open je een deur, je schuift een gordijn opzij en het volgende moment is het alsof je bij nacht over de daken van de huizen in een vreemde stad loopt. Je ziet ramen die uitzicht bieden op lager liggende kamers waar licht brandt. Vanuit de duisternis kijk je als een voyeur naar de interieurs die fantasieën ontlokken over het dagelijks leven van de afwezige bewoners.

Aan een wand hangt een ingelijst familieportret. Speelgoed en een kinderschoen zijn achtergebleven op een morsig geworden nylontapijt. De indruk wordt gewekt dat er in de niet al te grote dakwoningen intens wordt geleefd door 'gewone' mensen die het niet breed hebben. Je ziet bedden en divans waarover verschoten kleden zijn neergelegd, een wrak bureautje met ordelijk gegroepeerde paperassen, een stapel stukgedraaide platen bezijden een kapotte grammofoon, een van fiber gemaakte koffer die boven op een hangkast is gestald, een met een peertje verlichte werkplaats met een ezel en omgekeerd tegen de muur geplaatste schilderijen...

De verschillende kamers hebben een eigen ingang en zijn bereikbaar via een smalle, houten trap. De suggestie dat er mensen wonen is zo sterk dat je bij het betreden van de ruimten het gevoel krijgt illegaal andermans huiskamer binnen te dringen. In ieder vertrek blijken dia's op de wand te worden geprojecteerd, begeleid door een stem die in het Russisch een verhaal vertelt waarvan de vertaling via koptelefoons is te beluisteren. Kijkend naar de reeks beelden, kom je er toe om er een stoel bij te pakken of op de versleten bank te gaan zitten.

De dia's zijn gemaakt van zwart-wit foto's, kennelijk afkomstig uit het familiealbum. Gezichten verschijnen en verdwijnen. Weer is het 1938 en staan er vier kinderen met lachende gezichten in de sneeuw. Ook in de beeldenreeks verstrijkt de tijd. Een groepje kinderen is op een kapotgeschoten tank geklommen. Je ziet jonge vrouwen in zomerjurken, een oud echtpaar in een tuin, twee vrouwen van middelbare leeftijd op pantoffels, een jonge man met een legerpet en een zoontje, foto's van een bruidspaar en van een feestvierende familie aan tafel.

Een jongetje zit in een wieg terwijl je in de koptelefoon hoort: “Dit is Tolja in de kinderwagen op de binnenplaats. Onze binnenplaats liep een beetje af naar de straat toe. Op een keer gebeurde het volgende. Gelukkig liep alles goed af - dat heeft mama me verteld. Ze hadden de kinderwagen met hem erin even op de binnenplaats laten staan, en opeens begon die naar beneden te rollen, door de poort (iemand had die open laten staan) de straat op, en steeds sneller over straat totdat hij tegen een steen aanbotste en omkieperde. Maar eerst vloog het kussen eruit, en daarop kwam Tolja terecht - moet je je voorstellen! Dat was echt puur geluk.”

Zo wordt iedere geportretteerde gedurende seconden aan de anonimiteit en de vergetelheid ontrukt. Je hoort schijnbaar onbetekende voorvallen uit hun leven waarin de geschiedenis van de Sovjet-Unie zich op gezette tijden mengt. “Dit zijn mijn opa en oma van vaderskant. Ze vluchtten in '39 weg uit Polen omdat de Duitsers daar binnenvielen en gingen naar Riga. Hij werd onmiddellijk gearresteerd, als Duitse spion, en naar een kamp gestuurd. Oma bleef achter met vier kinderen die ze in haar eentje grootbracht. Opa kwam pas in '48 terug, en spoedig vertrokken ze naar Israël. Dit is een foto uit Israel”, zegt de verteller die soms een vrouw en soms een man is, over een dia van een bejaard echtpaar.

Andere beelden doemen op zoals 'Onze straat in de winter. Hier links was een wasserij, later is er lange tijd een kleuterschool geweest.' Of van oom Sanik die ervan hield om rond te scharrelen in zijn tuin of van opa bij een door hem in elkaar geknutselde pingpongtafel.

De emotionele lading van de 'petite histoire' lijkt die van de meest dramatische gebeurtenissen uit de geschiedenis wonderlijk genoeg haast te overtreffen. Het is alsof je de verloren tijd dichter op de hielen zit wanneer je weet dat er ergens in Rusland een tuin met een aflopende helling was waarvan ooit een jongetje dat Tolja heette, in een rieten wieg in sneltreinvaart is afgedaald. Je raakt melancholiek gestemd door de schoonheid van Tolja's tante Berta die vermoedelijk al lang dood is. Op de dia zit ze met haar familie in de tuin, met een lachend gezicht en in een wit jurkje met korte mouwen en een baby met zo'n gek groot hoofd op schoot.

De in hout uitgevoerde reuzeninstallatie 'Op het Dak' van de in 1987 naar het westen geëmigreerde Kabakov, die vorige zomer voor het eerst een grote overzichtstentoonstelling in het Parijse Centre George Pompidou had, omvat tien kamers. De kamers en de daarin geprojecteerde dia's staan steeds in het teken van een bepaalde levensfase zoals de kindertijd, de schooltijd, de opleiding aan de kunstacademie of het leven als volwassene. Het gaat Kabakov duidelijk niet om privé-ontboezemingen over zijn lotgevallen waarover hij als het ware tussen de regels door bericht. De inhoud van Kabakovs kunst is het fenomeen van de herinnering. Zijn installatie is een indrukwekkend monument waarvan fragmenten uit al die vergeten levens de inhoud vormen.

    • Betty van Garrel