Gelderse boer was inventieve ondernemer

Anderhalve eeuw Gelderse landbouw. De geschiedenis van de Geldersche Maatschappij van Landbouw en het Gelderse platteland. Door J. Bieleman, e.a., red. (Uitg. REGIO-Projekt Groningen, 1995). 471 blz.; ISBN 90-5028-068-4.

De Gelderse landbouw beschreven omstreeks 1825. Een heruitgave van het landbouwkundig deel van de Statistieke beschrijving van Gelderland (1826). Door H.K. Roessingh en A.H.G. Schaars, (Uitg. Wageningen, 1996). 525 blz.; ISBN 90-800522-2-1.

Bekrompenheid, vooroordeel, blind egoïsme en de grofste onkunde in de werkelijke belangen van de Maatschappij, speelden daar steeds de hoofdrol; en wat kon men ook meer verwachten van eene vergadering, meerendeels uit lieden samengesteld, die slechts bij uitzondering lezen en schrijven verstonden, slechts ternaauwernood door eenige hanepoten de belangrijkste besluiten konden onderschrijven, en niets meer van de wereld kenden dan de Mark, waarin zij waren groot gebragt.'' Met deze lange volzin diskwalificeert de vermaarde negentiende-eeuwse landbouwkundige W.C.H. Staring de boerenstand op de zandgronden volledig.

Staring en andere landbouwvernieuwers uit de tweede helft van de negentiende en vroege twintigste eeuw beschreven een onveranderlijk platteland. In hun geschriften worden boeren ten tonele gevoerd die generaties achtereen alles in de 'voorvaderlijke sleur' deden en een afkeer van veranderingen hadden. Er zou van de middeleeuwen tot in de tweede helft van de vorige eeuw weinig in de landbouw veranderd zijn. Men leefde geïsoleerd, zelfgenoegzaam en vrijwel zonder contact met de buitenwereld.

De landbouwvernieuwers schilderden de landbouw in het verleden met opzet als statisch en traditioneel af om zo de vernieuwingen en vooruitgang die zij propageerden des te beter te laten uitkomen. Zo groeide de mening dat alle belangrijke veranderingen in de landbouw zich pas in de periode ná 1880 hebben voorgedaan. Latere auteurs, onder wie volkskundigen, sociologen en historici, hebben dit beeld van het onveranderlijke platteland overgenomen en tot ver in deze eeuw uitgedragen. Tot op heden wordt het nog gekoesterd door hen die met een zekere nostalgie naar de pre-industriële wereld kijken, naar het rustige en eenvoudige landleven uit grootmoeders tijd.

Deze opvatting dat de boeren vroeger generaties lang alles bij het oude lieten en niet reageerden op de markt, blijkt niet te kloppen. De landbouw in de zandgebieden van ons land is in de loop der eeuwen aan veel meer veranderingen onderhevig geweest dan lange tijd is aangenomen. Dat is wat althans duidelijk wordt uit twee recent verschenen lijvige boekwerken over de geschiedenis van de Gelderse landbouw. In De Gelderse landbouw beschreven omstreeks 1825 wordt een herdruk gepresenteerd van een deel van een 'Statistieke beschrijving' van deze oostelijke provincie. Deze bron wordt op een vakbekwame wijze in een juist historisch perspectief geplaatst en door middel van een reeks verklarende woordenlijsten en registers voor hedendaagse lezers en onderzoekers toegankelijk gemaakt. Anderhalve eeuw Gelderse landbouw is, zoals het colofon aangeeft, “verschenen ter gelegenheid van honderdvijftig jaar georganiseerde agrarische belangenbehartiging in Gelderland”. Deze bundel, die deels chronologisch en deels thematisch is opgezet, biedt een boeiende beschrijving van de ontwikkeling van de Gelderse landbouw. Het is de verdienste van de auteurs dat zij zich niet hebben laten lenen voor het schrijven van een hagiografisch eerbetoon aan de jubilerende Geldersche Maatschappij van Landbouw. Integendeel, er wordt uitvoerig melding gemaakt van de soms stroeve verhouding tussen de heren bestuurderen en de boeren in het veld.

Het bestuur van de Maatschappij bestond aanvankelijk vooral uit vertegenwoordigers van de landadel met welklinkende namen, zoals mr. F.H. baron d'Auluis de Bourouill, die in de jaren zestig penningmeester was. Zij wilden de landbouw bevorderen door, zoals het in de statuten heette, “bijeenkomsten van landbouwers en grondeigenaars, verspreiding van nuttige geschriften, aanmoedigingspremiën, tentoonstellingen, proeven op gemeenschappelijke kosten in het groot genomen en dergelijke meer”. De enige relatie met de feitelijke boerenstand was wellicht het eigendom van grote landerijen. Vanuit hun koetsen en karossen bezagen de 'heeren' de landbouwende stand meewarig op hun akkers, onkundig als deze was van de nieuwste agronomische inzichten. Dat de boer gewoonweg geen gelegenheid had tot experimenteren of ontginnen, dat ontging hun.

De Gelderse boer - en in andere delen van het land zal het niet veel anders zijn geweest - had in feite slechts één kompas: zijn ervaring. Het is voor ons moeilijk voor te stellen dat in de tijd voordat de ontluikende landbouwwetenschap een tipje oplichtte van de biologische en teeltkundige principes van de landbouwkundige produktie, de belangrijkste leidraad van de boeren bij de uitoefening van hun bedrijf bestond uit hun ervaring en de ervaring van voorgaande generaties, die aan hen was overgeleverd. Niets meer, schrijft Jan Bieleman in een inleidend hoofdstuk, maar ook niets minder. Een voorbeeld uit de Statistieke beschrijving ter illustratie. In 1825 wisten de boeren uit ervaring dat er door de teelt van els bodemverbetering optreedt en de grond geschikter wordt voor bouwland. De els kan namelijk atmosferische stikstof vastleggen en benutten door middel van stikstofbindende bacteriën in wortelknolletjes. In deze tijd had men nog geen weet van stikstofbindende bacteriën, maar uit ondervinding was de bijzondere werking van elzeblad als bemesting bekend. Zo valt te lezen dat de boeren graag elzen langs de sloten plantten “om de vettigheid, welke het elzenblad aan de slootaarde mededeelt, die om zekere jaren uitgegraven en over het land gebragt wordt”.

De boeren kenden de marges van hun bestaan die werden gedicteerd door wankele ecologische en economische evenwichten. Het was een bestaan dat was doortrokken van voor ons haast onvoorstelbare risico's en kwade kansen. Hierdoor nam het vermijden van risico's een overheersende plaats in. Het vinden van gewassen, teeltsystemen en cultuurmethoden die meer zekerheid konden bieden was zo een zaak van lijfsbehoud. In Anderhalve eeuw Gelderse landbouw worden vele voorbeelden van door boeren geleidelijk doorgevoerde veranderingen beschreven die achteraf als rationele en verstandige keuzen moeten worden beoordeeld. Illustratief is in dit verband de manier waarop de Gelderse boeren de harde klappen van de agrarische crisis van het laatste kwart van de vorige eeuw opvingen. Door aanvoer van grote hoeveelheden spotgoedkoop Amerikaans graan kelderden de prijzen van de akkerbouwprodukten van de Nederlandse boeren. De Veluwse en Achterhoekse boeren brachten hun akkerbouwprodukten niet meer naar de markt, maar vervoederden ze op hun eigen bedrijf. De nieuwe bedrijfsvorm die zodoende ontstond wordt 'etagebedrijf' genoemd. Op de zandgronden werd het landbouwbedrijf bij wijze van spreken met een extra verdieping uitgebreid, namelijk de veeteelt. De motor was de uitbreiding van het aantal melkkoeien. Tussen 1885 en 1913 nam dit aantal op de Veluwe met ruim 40 procent toe en in de Achterhoek was de toename zelfs meer dan 60 procent. Vanzelfsprekend werd het aanbod van melk ook groter. Steeds vaker werd overgegaan tot de oprichting van coöperatieve stoomzuivelfabrieken, waar de melk vooral tot boter werd verwerkt.

Onbedoeld waren de ontwikkelingen in de zuivelbereiding aan het eind van de negentiende eeuw ook beslissend voor de snelle expansie in de varkens- en pluimveehouderij. Voor de varkenshouderij is van belang dat de boeren van de zuivelfabriek de onder- en karnemelk terugontvingen. Vermengd met wat rogge en aardappelen vormde dit uitstekend voer voor de varkens. Tijdens de jaren van de agrarische crisis werd dankzij het goedkope graan zelfs nog letterlijk een graantje meegepikt. Vooral kleine boeren speelden op deze nieuwe ontwikkelingen in en legden zich toe op de produktie van varkensvlees. Hun bedrijfjes waren hiervoor uitermate geschikt. De lichte varkens konden in betrekkelijk korte tijd op het gewenste gewicht worden gebracht, zodat het daarin gestoken geld spoedig terugverdiend werd. Meer dan 80 procent van de ongeveer 3.600 varkenshouders die Gelderland in 1910 telde hield vijf of minder varkens.

Tot een ander belangrijk onderdeel van het etagebedrijf ontwikkelde zich in dezelfde periode de pluimveehouderij. Nog omstreeks 1850 werden de op de boerderij rondscharrelende kippen voornamelijk voor eigen gebruik gehouden, hoewel veel boeren op de Veluwe hun eieren in die tijd al ruilden tegen winkelwaar of verkochten aan handelaren. In de periode van de dalende prijzen van akkerbouwprodukten, kozen vooral veel boeren in de Gelderse Vallei voor het uitbreiden van de pluimveestapel als overlevingsstrategie. Het aantal kippen in Gelderland nam toe van 350.000 in 1875 naar 2.220.000 in 1910. Deze voorspoedige ontwikkeling kan ook weer niet los gezien worden van de opkomst van de zuivelfabrieken. De boerin droeg de belangrijke taak van boterbereiding over aan deze fabrieken. Hierdoor kreeg zij haar handen vrij voor andere bezigheden 'rondom huis en hof'. In plaats van zes à twaalf kippen werd voortaan de zorg voor enkele honderden hoenders aan haar toevertrouwd.

Deze aanpassingen in de bedrijfsvoering op de Gelderse landbouwbedrijven, zoals de sterke uitbreiding van de produktie van boter, van vlees en eieren, kunnen niet los gezien worden van de veranderde wensen en mogelijkheden van de consument. In een tijd van toenemende welvaart was het de opdracht aan de boeren om de steeds meer eisende consument op zijn wenken te bedienen. Waar dit met rationalisering, intensivering en schaalvergroting gepaard ging, werd deze opdracht met succes uitgevoerd. De volle koelcellen en uitpuilende schappen in de winkels getuigen daarvan nog dagelijks.

Op deze regel is in Gelderland ook de bekende uitzondering te vinden. In het naar mijn opvatting boeiendste artikel in Anderhalve eeuw Gelderse landbouw beschrijft Gerrit Wildenbeest de opkomst, bloei en neergang van de Scholteboeren op het Winterwijkse platteland. In 'deze verste uithoek van een streek die zelf weer de Achterhoek heet' (om met Gerrit Komrij te spreken) konden lokale machthebbers langer dan elders hun autonomie behouden. Door een samenloop van omstandigheden kregen de Scholten - in de tweede helft van de vorige eeuw betreft het zo'n twintig families - het grootste deel van de gronden in hun bezit. In hun bedrijfsvoering ontbrak echter de dynamiek, die we bij de kleinere boeren op de zandgronden wèl aantreffen. Zo bleven de Scholten, ook na het uitbreken van de landbouwcrisis, stug vasthouden aan het bijna middeleeuwse relict van de 'garfpacht'. De pachters moesten hierbij de pacht in natura, in garven graan, voldoen. Met de ineenstorting van de graanprijzen werden de Scholten zo een dief van hun eigen portemonnee. Dit deerde hen echter niet. Voor hen was de groepscultuur, de 'Scholteneer', belangrijker. Hierbij werden landadelijke waarden, zoals de gehechtheid aan bos, grondbezit-om-het-grondbezit en de jacht, tot het hoogste goed verheven.

Door hun remmende werking op de agrarische modernisering overleefde in Winterswijk een fraai, maar voor de moderne landbouw ondoelmatig, negentiende-eeuws coulissenlandschap. Toen de rol van de Scholten definitief was uitgespeeld, was het gunstige tij voor grootschalige ontginningen gekeerd. Ruilverkavelingen kwamen er niet of trager dan elders op gang en daardoor moest er steeds meer rekening worden gehouden met natuur- en landschapsbelangen.

In de nabije toekomst zal de Gelderse landbouw te maken krijgen met een aanzienlijke inkrimping van de produktiecapaciteit. De andere regio's zullen, als het aan de overheid ligt, weer meer op Winterswijk moeten gaan lijken. Als de reactie van de Gelderse boeren op dit transformatieproces vergelijkbaar is met die van hun Winterswijkse collega's in het verleden, dan wachten ons nog enkele 'long hot summers'.

    • Cor van der Heijden