De totale oorlog

Op een vierkante meter weiland schijnen honderden, zo niet duizenden beesten te leven. Iedereen die door een weide loopt, richt dus een slachtveld aan. Gelukkig merkt men het niet: de meeste dieren sterven geluidloos, de dodelijk gewonden kermen onhoorbaar.

Pas bij een picknick in het open veld valt echt op hoeveel dieren zo'n stukje land bevolken. Dan wordt de picknicker die zich in het gras heeft gevleid bestormd door een schare torren, vliegen, duizendpoten, mieren, wespen, rupsen, hommels, muggen, spinnen, bijen en nog talloze andere beestjes waarvan men het bestaan nooit had vermoed. Ze belagen allemaal de picknicker, ook al ligt deze op een doek.

Het is wonderlijk hoe hardnekkig de laagste dieren des velds de picknickers blijven treiteren en zo zorgen voor het enige ongerief dat een picknick kent. Het is alsof ze bij afspraak om de beurt een aanval uitvoeren op de invasiemacht der picknickers. Massaal wordt de aanval nooit, de dieren werken als een guerrillaleger dat door speldeprikken de agressor tot wanhoop probeert te brengen. Torren kunnen weinig uitrichten, maar weten dat hun pantserwagenvoorkomen anders doet vermoeden en afgrijzen wekt. Ook de vlieg is op zichzelf ongevaarlijk, maar slaagt erin door zijn voortdurende landingen op lichaamsplekken waar handen niet bij kunnen, het verblijf van de agressor te vergallen. Beter uitgerust zijn mieren, wespen en bijen. Zij beschikken over gevreesde chemische wapens, maar vreemd genoeg zetten zij die alleen in als hun eigen leven wordt bedreigd, wellicht om escalatie tot een 'totale Krieg' te voorkomen. De enige echte provocateur is de horzel, die, zo schreef onlangs iemand in deze krant, eigenlijk geen horzel is, maar die we toch maar zo blijven noemen: de bruine paardenvlieg die zonder dralen steekt en zorgt voor een reusachtige, pijnlijke bult. Gelukkig beschikt het beestjesleger over weinig van deze jachtbommenwerpers.

De logge tegenstander kan verschillende strategieën volgen. Hij kan zich inderdaad laten verleiden tot een 'totale Krieg', zoals destijds de Amerikanen in Vietnam, en rücksichtlos aan elke aanval een einde maken door blindelings een ferme klap op elke kriebelplek te geven. Nadeel is dat men dan weinig rust kent tijdens de picknick en dat het desastreuze gevolgen kan hebben, als de kriebelaar een wesp of bij blijkt. Ook maakt de 'totale Krieg' wel erg veel schuldeloze slachtoffers onder eigenlijk wel aardige beestjes die slechts hun plicht doen. Bovendien is, zo leren vele oorlogen ons, van een guerrillaleger nooit te winnen. Een veel betere strategie is het volstrekt negeren van de guerrillero's (met uitzondering van de horzels natuurlijk). Maar dit vereist een bijna bovenmenselijke discipline en is niet goed vol te houden. Het allerbeste is daarom de flexible response: afhankelijk van de ernst van het gekriebel en de aard van het beest gepaste tegenmaatregelen treffen. Een horzel betekent meedogenloos doodmeppen, een wesp vereist negeren, en een kriebelende duizendpoot moet zachtjes worden opgepakt en een meter verder worden gezet.

Een zekere kennis van de dierenwereld is voor flexible response wel vereist. Men kan zich anders deerlijk vergissen. Bij mijn laatste picknick in een weiland langs de Vecht zag ik veel kleine vliegjes. Ik dacht dat het fruitvliegjes waren, vieze beestjes maar onschuldig en dus geen harde maatregelen waard. Pas toen ik de volgende dag onder de hardnekkig jeukende bulten bleek te zitten, wist ik wat het werkelijk waren: midges, kleine, vrijwel onmerkbaar stekende mugjes waarvan ik dacht dat ze alleen in hoog-noordelijke landen als Schotland voorkwamen.