De logica van een tegenvaller

Ambtenaren van het Centraal Planbureau en het ministerie van Financiën liggen met elkaar in de clinch over de verwachte opbrengst van inkomstenbelasting en premies voor de volksverzekeringen. Het Planbureau voorziet een miljardentegenvaller voor de schatkist. Dat is hetzelfde als een miljardenmeevaller voor de burgers. De 'boys' van Financiën snappen niet waar die vandaan zou komen.

Toch is de verklaring nogal simpel: een steeds groter deel van de groei van het nationale inkomen dat de Nederlanders met elkaar verdienen valt buiten de heffing van inkomstenbelasting. De ondernemingswinsten stijgen fors en worden grotendeels binnen de bedrijven gehouden. Daarvan gaat hooguit 35 procent als vennootschapsbelasting naar de schatkist. Verder strijken de pensioenverzekeraars een flink stuk van de inkomensgroei op. Zij genieten volledige vrijstelling van belasting.

De werknemers als groep zien hun inkomen eveneens verbeteren. Dit extra inkomen valt grotendeels toe aan mensen die voor het eerst een baan vinden. Vaak zijn dit herintredende gehuwde vrouwen of starters op de arbeidsmarkt. Zij vallen in de laagste tariefschijf. Dat levert Zalm minder op. Het aandeel van de 65-plussers in de nationale koek gaat eveneens omhoog. Zij betalen over hun inkomen in de eerste schijf nog geen 20 procent, jongeren bijna 40 procent. Zalm schiet er dus 20 procent bij in.

Neemt het laagbelaste inkomensaandeel van deeltijdwerkers, starters en ouderen in verhouding toe, dan blijft de belastingopbrengst relatief achter. Tegelijk zien nogal wat voltijdwerknemers hun inkomen stagneren. Omdat de belastingvrije voet en de lengte van de tariefschijven flink zijn opgerekt, dragen zij over hun nauwelijks gestegen inkomen minder belasting af.

Voor zelfstandigen en vermogensbezitters zijn het gouden jaren. Zij gaan daarom toch meer belasting afdragen? Dat valt tegen. Van de gestegen winsten en hogere vermogensopbrengsten glipt een deel door de mazen van het belastingnet, als gevolg van het sterk toegenomen gebruik van belastingbesparende constructies. Ook groeiende fraude en belastingvlucht spelen mogelijk een rol.

Van de oorzaken van opdoemende belastingtegenvallers is één heel belangrijke nog niet genoemd. De grondslag van de loonbelasting en de inkomstenbelasting wordt uitgehold, doordat steeds meer belastingplichtigen gebruik maken van aftrekposten en vrijstellingen. Belastingbesparing langs deze weg is voor honderdduizenden contribuabelen min of meer vanzelfsprekend geworden. Vooral het gebruik van fiscale faciliteiten die het sparen voor de oudedag aanmoedigen neemt sterk in omvang toe. De overheid heeft dit in wezen aan haarzelf te danken. Jarenlange bezuinigingen op de AOW hebben veel mensen tot de overtuiging gebracht dat zij het beste kunnen proberen zèlf voorzieningen voor hun oudedag te treffen.

Traditioneel sparen via een rekening bij de bank is ongeschikt om een stevige individuele oudedagsvoorziening op te bouwen. In dit geval wordt spaargeld opzij gelegd van het nettoloon, nadat daarover eerst een hoop belasting is betaald. De renteopbrengst is bovendien jaarlijks belast, afgezien van een beperkte vrijstelling. In 1994 kwam het kabinet met een nieuwe faciliteit: werknemers mochten sparen van hun brutoloon, voordat daarover belasting was betaald. Bovendien geldt een extra belastingvrijstelling voor de rente die de bank over dit spaarloon vergoedt. Bij de banken lopen inmiddels bijna drie miljoen van zulke regelingen. Binnen twee jaar brachten spaarzame werknemers zo 4,5 miljard gulden naar de bank. Dat bedrag blijft voor altijd buiten de greep van de fiscus.

Vanouds liggen ook lijfrenteverzekeringen fiscaal in de watten. Hierbij belooft de verzekeraar in ruil voor een eenmalige koopsom of een reeks premies te zijner tijd uitkeringen te doen. Sparen via een lijfrente-overeenkomst met een verzekeraar is in vergelijking met sparen bij de bank aantrekkelijk, omdat de premies aftrekbaar zijn bij de berekening van het belastbaar inkomen. De premieaftrek leidt tot forse belastingbesparing, de uitkeringen worden eerst in de verre toekomst belast.

Dit laatste aspect krijgt nauwelijks aandacht in de lawaaiige advertentiecampagnes waarmee verzekeraars hun produkt slijten. Evenmin vermelden verzekeraars dat direct vijftien tot achttien procent van het gestorte bedrag als kosten in rekening worden gebracht. Lekker gemaakt door wervende advertenties, sloten consumenten in 1995 bijna 150.000 koopsompolissen af. Zij stortten dat jaar in totaal 4,4 miljard gulden aan koopsommen, de helft meer dan in 1994. Hierdoor kalfde de belastinggrondslag in één jaar tijd met nog eens 1,5 miljard gulden af.

Het stijgende eigen-woningbezit doet de renteaftrek meer stijgen dan de huurwaardebijtelling oplevert. Jaar in jaar uit brokkelt het bedrag waarover daadwerkelijk belasting wordt geheven dus verder af. Het gaat om vele honderden miljoenen per jaar. De gedaalde rentestand beperkt de groei van deze aftrekpost. Maar anderzijds stimuleert de voortgezette loonmatiging consumenten om meer geld te lenen met als onderpand hun huis, waarvan de waarde sterk is gestegen. De afgelopen jaren zijn veel tweede hypotheken gesloten, waardoor de totale post aftrekbare rente per saldo verder opzwelt.

Rond het midden van de jaren negentig krimpt het deel van het nationale inkomen waarover daadwerkelijk belasting wordt geheven. Belastingtegenvallers die samen in de miljarden kunnen lopen zijn het gevolg. Hierdoor kunnen de tariefpercentages niet omlaag. Het spiegelbeeld van die belastingtegenvallers zijn koopkrachtmeevallers voor de burgers. Die meevallers worden niet zichtbaar in de gebruikelijke koopkrachtplaatjes. Een reden te meer om die plaatjes aan de straat te zetten.