'Agressieve perversie ongeneeslijk'

DEN HAAG, 20 AUG. Volledige genezing van agressieve perversie bij zware seksuele delinquenten is nooit helemaal mogelijk. Dat zegt de Nijmeegse hoogleraar forensische psychiatrie prof.dr. H.J.C. van Marle, tevens psychiatrisch adviseur van minister Sorgdrager (Justitie).

Van Marle verwijst naar de grote zedenzaak die in België aan het licht is gekomen. Garanderen dat een zedendelinquent nooit meer een misstap begaat is onmogelijk, weet hij. Al bestaan er geen exacte cijfers over de herhaling van seksuele misdrijven, Van Marle schat het recidivepercentage in Nederland op ongeveer vijfentwintig. Daarbij gaat het om mensen die zowel een lichamelijke, sekslust-verminderende behandeling als een psychotherapeutische behandeling ondergaan.

Zelfs bij ernstige seksuele misdrijven, waarvoor mensen van negen tot dertien jaar zijn behandeld, is de kans dat de delinquent in herhaling vervalt nog steeds één op tien, stelt Van Marle. Op zichzelf kan zich een vergelijkbaar geval in Nederland voordoen. Het grote verschil is dat de Belgische delinquent wegens eerdere ernstige seksuele vergrijpen tot dertien jaar gevangenisstraf was veroordeeld en na drie jaar vervroegd vrijkwam zonder dat hij een behandeling had ondergaan. TBS (Ter Beschikkingstelling) bestaat niet in België. “In Nederland is de kans dat deze man alleen maar een gevangenisstraf had gekregen, zonder TBS-behandeling, vrijwel nihil. Wat dat betreft is er in Nederland een fijnere zeef. Het psychiatrisch onderzoek maakt een belangrijk deel uit van het gerechtelijk vooronderzoek.”

Pag.5: Recidive kan door behandeling sterk beperkt worden

Volledige genezing van de stoornis is weliswaar niet mogelijk, met intensieve behandeling kan de kans op recidive sterk worden beperkt en excessen worden voorkomen, meent Van Marle. “Je kunt meestal de stoornis die seksuele delinquenten hebben zodanig terugdringen dat zij in de maatschappij kunnen functioneren zonder dat zij een gevaar voor anderen opleveren.”

Seksuele delinquenten worden ingedeeld in vele verschillende categorieën. Van relatief lichte vergrijpen, zoals exhibitionisten en voyeurs, komt in Nederland vrijwel niemand meer in het strafrecht terecht, zegt de adviseur van minister Sorgdrager. Uit eigen onderzoek is volgens Van Marle echter gebleken dat juist deze 'lichte' groep de neiging vertoont van kwaad tot erger te gaan. “Ik vind dat daar te weinig aandacht voor is. Voyeurisme is vaak een vroegtijdig symptoom van ernstiger seksuele afwijkingen.”

Seksuele delinquenten bij wie een zogenoemde “agressieve component” is geconstateerd komen wel automatisch in het strafrecht en ondergaan daarbij een verplichte behandeling. “Bij agressieve delinquenten kan de seksuele lust die mensen hebben gepaard gaan met agressief en excessief gedrag, zoals ernstige mishandeling, soms sadisme, tot en met wurging van de slachtoffers.”

Bij personen met een persoonlijkheidsstoornis, volgens Van Marle een “middengroep” waartoe pedofielen, verkrachters en aanranders kunnen behoren, kunnen anti-depressiva tot verbetering van het gedrag leiden. “Bij dit soort mensen zie je dat er een soort opbouw is, een escalatie van het gedrag. Het zijn over het algemeen geen mensen die impulsief handelen. Het begint met het bekijken van pornofilms. Het dwangmatige verlangen naar seks wordt daarna erger. Met anti-depressiva kun je de herhalingsdrang intomen.”

Verkrachters, aanranders en andere seksuele delinquenten krijgen in Nederland een verplichte behandeling (TBS) wegens het risico dat hun gedrag zich op den duur herhaalt. Een behandeling is goed mogelijk, zegt Van Marle, voormalig geneesheer-directeur van de gespecialiseerde Mesdag-kliniek in Groningen. De seksuele lust kan worden ingedamd door een anti-hormoon toe te dienen aan de patiënt. Voor die wekelijkse injectie is toestemming van de patiënt nodig; geeft hij die niet dan zal hij langer worden vastgehouden, net zolang totdat hij de door de rechter opgelegde behandeling wel bereid is te ondergaan.

Tot en met 1965 werden dergelijke patiënten in een kliniek in Avereest gecastreerd om recidive te voorkomen. Patiënten moesten daar hun toestemming voor geven. Van Marle: “Die behandeling was niet erg succesvol. Bovendien ging de maatschappij er in de loop der jaren anders over denken. Castratie is en blijft een onomkeerbaar middel.” In de loop der jaren werden andere middelen (anti-hormonen) ontwikkeld die de sekslust-gevoelens konden temperen. Technisch is het mogelijk mensen op deze wijze 'chemisch' te castreren, zonder chirurgische ingreep. Maar ook daar is toestemming van de patiënt voor nodig.

De laatste jaren is in de forensische psychiatrie, naast de lichamelijke behandeling van seksuele delinquenten, steeds meer aandacht gekomen voor psychotherapeutische behandelingen, met name voor delinquenten die wel impulsief handelen.

Het beleid van Justitie is er steeds meer op gericht te voorkomen dat mensen in herhaling treden. Opsluiten alleen heeft geen zin , meent het ministerie van Justitie. “Het is noodzakelijk dat je de seksuele perversie helemaal doorspit”, zegt Van Marle. “Ze moeten er op een therapeutische manier over praten. Dat is meer dan alleen maar over hun seksuele fantasieën praten, want dat vinden ze over het algemeen alleen maar prettig. Van het grootste belang is tijdens zulke therapeutische sessies te constateren of er een gedragverandering ontstaat. Desnoods vertonen ze agressiever gedrag, worden ze harder voor zichzelf of voor anderen, maar ik wil een verandering in hun gedrag zien voordat er een beslissing kan worden genomen. Anders is de kans groot dat de delinquent voor de buitenwereld speelt dat de problemen zijn verdwenen.” Die schijnaanpassing van seksuele delinquenten vormt het grootste gevaar. “Het kan erop lijken dat mensen uiterlijk weer heel gewoon overkomen, terwijl er van binnen niets is veranderd”, aldus Van Marle.

Ondanks de nieuwe behandelmethodes van de laatste jaren blijkt dat toch nog een flink aantal delinquenten na een langdurige behandeling in de fout gaan. Volgens Van Marle gaat het om vijfentwintig procent. “Meestal is het afwijkende gedrag na een lange behandeling minder frequent en minder agressief, maar het blijft moeilijk in te schatten hoe iemand reageert.”

Bij de ernstige seksuele misdrijven, vergelijkbaar met de zedenzaak in België, ligt het recidivepercentage in Nederland op tien. Dan heeft de delinquent al gemiddeld een behandeling van negen jaar in een TBS-kliniek ondergaan, variërend van zes tot soms dertien jaar. “Dat is een groot probleem”, erkent Van Marle. “Maar in Nederland kiezen we ervoor om ze dan toch niet alle tien nog langer vast te houden, omdat er dan negen mensen onschuldig vastzitten. Je kunt niet inschatten bij welke van de tien het fout gaat. In Duitsland is men strenger. Daar geven ze gemakkelijker een straf van dertig jaar. Bovendien volgt daar pas een behandeling tegen het einde van de straftijd.”

In Nederland zitten twintig tot dertig TBS-gestelden - op een totaal van achthonderd - vast van wie wordt aangenomen dat hun agressieve en excessieve seksuele gedrag 'ongeneeslijk' is. Van Marle noemt hun 'onbehandelbaar'. Hun vrijlating zou altijd een risico voor de maatschappij inhouden, dus “van hen wordt aangenomen dat zij altijd vast blijven zitten”.

Van Marle is er geen voorstander van om mensen vervroegd in vrijheid te stellen op basis van goed gedrag, zoals in België gebeurt nadat de delinquent eenderde van zijn straf heeft uitgezeten. In Nederland is dat pas na tweederde van de straf. “De kans dat er na een psychotherapeutische behandeling sprake is van een schijnaanpassing is groot. Het komt heel veel voor en de gevolgen van een te vroege vrijlating kunnen enorm zijn. In gesprekken met de delinquenten kun je door goed te observeren een beeld vormen van de gedragsveranderingen die hij heeft ondergaan door de therapie.”

Van het grootste belang na de vrijlating van de delinquent is de controle op de behandeling. “In het resocialisatieproces, dus na de TBS-behandeling, moet je afspraken maken met de huisarts over de medicatie van de patiënt en over psychotherapie. Pas als dat goed gecontroleerd wordt kun je inschatten dat de kans dat iemand opnieuw in de fout gaat tot een minimum wordt beperkt.”