Nusse Brink zaak krijgt politieke lading

AMSTERDAM, 19 AUG. Drie jaar na het bankroet is de kleine effectenmakelaar Nusse Brink nog steeds de inzet van een oplopend conflict over de reikwijdte van het toezicht dat de Amsterdamse effectenbeurs uitvoert op de beursgemeenschap. Nusse Brink ging in augustus 1993 op de fles na financieel wanbeheer en een serie van overtredingen tegen de beursreglementen.

Financieel meest gedupeerd door de ondergang waren andere financiële instellingen die zaken met Nusse Brink deden, waaronder het effectenhuis Van Meer James Capel en diens dochterbedrijf Premie- en Effectenkantoor van den Broek. De directeur van de laatste firma, F. van den Broek, kwam op straat te staan als gevolg van de ondergang van zijn klant Nusse Brink en wil schadevergoeding van de beurs.

Zijn claim: de beurs onderwierp Nusse Brink vanaf 1991, toen de eerste tekenen van onraad opdoken, aan steeds intensievere controles. Maar de toezichthouders op het interne reilen en zeilen van beursbedrijven, het Controlebureau van de effectenbeurs, faalden om enkele saillante fouten tijdig te ontdekken. Daarbij speelde en rol dat Nusse Brink gespecialiseerd was in speculaties op koersdalingen. Nusse Brink kon ongehinderd doorgaan met zijn desastreuse praktijken. Dat leidde ertoe dat de financiële stroppen voor Van den Broek verder liepen totdat Nusse Brink uiteindelijk werd gesloten.

Van den Broeks advocaat in de strijd om schadevergoeding, mr J. Hoff, ging eerder in de de slag met de effectenbeurs in twee rechtszaken wegens beurshandel met misbruik van voorkennis door ex-Begemann-topman J. van den Nieuwenhuyzen. Hoff, lid van het verdedigingsteam van Van den Nieuwenhuyzen, won.

Afgelopen weekeinde laaide de Nusse Brink affaire wederom op met het bekend worden van een brief van Hoff aan minister Zalm van Financiën, die politiek verantwoordelijk is voor het toezicht op de beurs. Zalm informeerde eerder de vaste Kamercommissie van Financiën vertrouwelijk over het Nusse Brink-dossier. Hij zag, zo schreef hij in een wel openbare brief aan de Kamer, geen aanleiding om minder vertrouwen te hebben in de manier waarop de effectenbeurs de naleving van de regels controleert.

Hoff probeert dat standpunt in zijn brief op twee manieren te ondermijnen en daarmee de zaak ook een politieke lading te geven. De voorzitter van de vaste kamercommissie, Ybema (D66), heeft al laten weten een reactie van Zalm te willen op de brief.

Het Controlebureau had uit de informatie van Nusse Brink over de financiële gang van zaken in 1992 al kunnen afleiden dat het effectenkantoor de regels overtrad, zo luidt Hoffs eerste beschuldiging. In de drie jaar tot en met 1992 reserveerde Nusse Brink een bedrag van maar liefst 1,2 miljoen gulden voor klanten die hun financiële verplichtingen niet konden nakomen. Dat is een hoog bedrag voor een effectenhuis dat verplicht was om de effecten en het geld van cliënten te laten beheren door een echte bank.

En, de tweede aanval, het Controlebureau heeft ermee ingestemd dat Nusse Brink een verlies van vier ton op een eigen transactie in de schoenen schoof van een niet nader aangeduide klant. Daardoor leed Nusse Brink geen extra verlies en kon het effectenkantoor blijven voldoen aan de financiële eisen die de effectenbeurs stelt, zoals voldoende eigen kapitaal (solvabiliteit). De bewijsvoering is echter slechts een zin in een brief van het Controlebureau. Hoff noemt zulk geschuif met een verlies effectenfraude waarvoor beurshandelaren in het verleden zelf bestraft zijn met een schorsing.

De effectenbeurs wil op de brief en de aangedragen beschuldigingen niet reageren. De beurs informeert langs de geëigende kanalen de minister. “Wij gaan niet via de media discussieren over een brief van een advocaat.”

De positie van de effectenbeurs is weinig benijdenswaardig. Dat bij Nusse Brink te laat is ingegrepen wordt steeds duidelijker, al blijft schimmig wat daarvan de oorzaak was. Ondeskundigheid? Te goed van vertrouwen? Of te veel geneigd de kool en de geit te sparen door de belangen te willen verenigen van de effectenbeurs, van de beursbedrijven en van de beleggers?

Naar de buitenwereld toe moet de beurs in de affaire de vertrouwelijkheid van de informatie uit het toezicht handhaven, maar zij moet tevens de minister adequaat informeren en zich ook (voor de rechtbank) verweren tegen juridische acties om een schadeclaim. De Verzekeringskamer is in een identieke situatie terecht gekomen als gevolg van de ondergang (1993) van de kleine levensverzekeraar Vie d'Or. De 'juridisering' van de samenleving en de daarmee samenhangende claimcultuur stellen nieuwe, deels door de rechtbanken in te vullen eisen aan het toezicht op financiële instellingen.