Minder vrij, maar nog niet monddood

Op 8 februari 1997 zal de theoloog prof. dr. L. Leertouwer na zes jaar terugtreden als rector magnificus van de Rijksuniversiteit Leiden. Hij wordt opgevolgd door dr. W. A. Wagenaar, hoogleraar psychologische functieleer. Buiten de universiteit staat Wagenaar bekend als getuige-deskundige in menige geruchtmakende rechtszaak en als een publicist die een pittig debat niet schuwt.

Zodra Willem Albert Wagenaar (1941) het onvermijdelijke vlinderdasje heeft omgeknoopt - er komt straks nog een fotograaf langs - gaat hij er voor zitten. “In de allereerste plaats ben ik docent. Ik geef les aan mijn studenten.” Maar buiten de collegezalen is hij vooral bekend als een getuige-deskundige die er niet voor terugschrikt om desnoods buiten op de stoep of in de kolommen van de krant scherp stelling te nemen. Het Israelische Hooggerechtshof leerde hem kennen toen het er om ging of Demjanjuk wel de gezochte oorlogsmisdadiger was voor wie deze werd aangezien, en dichter bij huis kraakte hij het onderzoek van de recherche in de Eper incestaffaire. Wagenaar vindt niet dat deze activiteiten afbreuk doen aan zijn positie van de wetenschapsbeoefenaar die op grond van zijn kennis vraagtekens zet bij de onfeilbaarheid van het menselijk geheugen. “Ik vind dat die dingen niet te scheiden zijn. Wetenschap waar niemand iets aan heeft, dat ligt mij niet zo.”

Voordat hij in 1985 definitief naar Leiden kwam, had Wagenaar twintig jaar bij TNO gewerkt. “Die letter T in TNO staat voor toepassing van wetenschap.” Als hij optreedt als getuige-deskundige, moet hij uitvoerige dossiers bestuderen, en hij vindt het een uitdaging om zijn kennis in de praktijk te toetsen. Dan kan het gaan over de vraag of pokeren nu een gokspel is of een behendigheidsspel. Maar hij mag ook graag afgelegde verklaringen van getuigen en verdachten fileren op een manier die menigeen hem niet in dank afneemt. Het is de vraag of hij daar als rector magnificus straks nog tijd voor zal hebben. “Het probleem is dat je als getuige-deskundige niet wordt gevraagd. Heel vaak word je gewoon aangewezen.” Het zal hem nog moeilijk vallen om voortaan te weigeren. “Ja, maar als de marechaussee langskomt om me op te halen...” Toch denkt hij af en toe nog wel in een rechtszaal te zullen verschijnen, zeker als er behoefte bestaat aan een contra-expert. Ook heeft hij de oorzaken van scheepsrampen en kettingbotsingen bij plotseling opkomende mist onderzocht, waarbij de lezer van zijn analyses bijkans het bloed in de aderen stolt.

De juriste dr. Marijke Mals, wetenschappelijk onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum voor criminaliteit en rechtshandhaving in Leiden, promoveerde in 1989 bij Wagenaar op het proefschrift 'Lawyers predictions of judicial decisions'. Gevraagd naar een reactie op de naam Wagenaar zegt zij: “Spontaan, dat is hij, en heel enthousiast. Hij is een actieve, goed gedisciplineerde onderzoeker. Bij de koffieautomaat heeft hij het hoogste woord, maar het gaat nooit over koetjes en kalfjes.” Zij vindt hem niet meteen iemand om een borrel mee te gaan drinken. “Hij is heel erg gericht op produktie. Persoonlijke dingen blijven daarbuiten.” Bij het overleg over haar proefschrift drukte Wagenaar in het begin “een vrij zwaar stempel” op het onderzoek. Mals: “Het was een onderzoeksvoorstel van hem, dus dat was niet zo vreemd. Maar later heb ik het toch overgenomen en heb ik het in goede harmonie kunnen afronden.”

Op de kritiek van vakbroeders die vinden dat hij te veel aan de weg timmert, reageert Wagenaar laconiek. “Dat mogen ze wel vinden. Wetenschap om haar eigen wil sluit een praktisch doel niet uit, en er is een breed publiek dat ook betaalt.” Samen met H.F.M Crombag en P.J. van Koppen schreef Wagenaar het boek 'Dubieuze zaken, de psychologie van het strafrechtelijk bewijs', dat in april 1992 verscheen. De toon van dit boek is uitgesproken polemisch en de woordkeuze niet bepaald zachtzinnig. Zo opereert de Hoge Raad in de woorden van de auteurs “lafhartig”, “lichtzinnig” en ook wel “schandalig”. Het motto van dit boek gaf als het ware de opmaat van wat volgde: “Justice is supposed to be blind, but must it be stupid too?”

Mede-auteur Crombag, hoogleraar in de sociaal-wetenschappelijke bestudering van het recht aan de Maastrichtse Universiteit, vindt in Wagenaar een gelijkgestemde ziel. “Ik heb ook iets polemisch over me. Wagenaar en ik zijn beiden geneigd om in debat te gaan, maar we hebben elkaar daarbij wel in toom gehouden.” Bij het samen schrijven van 'Dubieuze Zaken' kon Crombag heel goed met Wagenaar overweg. “Hij is tolerant, we praten en redeneren, en er is niet één moment geweest dat het samenwerken aan dit boek echt moeilijk was.” Wagenaar ziet in zijn bestuurlijke verantwoordelijkheid als rector geen belemmering om zich, zonodig, te roeren. “Ik zal minder vrij zijn, maar daarmee nog niet monddood.” Hij wijst daarbij op ministers die, bijvoorbeeld op de opiniepagina's van sommmige kranten, heel pregnant en ook persoonlijk deelnemen aan het publieke debat. Dat spreekt hem bijzonder aan. Wie denkt dat het straks stil wordt rond Wagenaar, kan zich weleens vergissen.

De kritiek op de polemische toon van het boek 'Dubieuze zaken' pareert hij met een paar stappen naar zijn boekenkast. “Bedenk wel dat wij dat boek schreven vóór de commissie Van Traa, vóór het rapport over het openbaar ministerie en vóór het rapport over de rechtbank in Arnhem.” Uit de kast haalt hij een eerdere studie tevoorschijn, 'Psychologie voor juristen'. “Dat was uitermate beleefd en subtiel.” Hij laat een conclusie achterwege, maar het is duidelijk dat hij het later, bij uitblijven van respons, bewust over een andere boeg heeft gegooid.

Wagenaar hoopt nog wel “les te kunnen blijven geven”, zeker aan de eerstejaars. “Ik denk in termen van kinderen en de klas, ik ben een echte frik.” Als iemand er op een tentamen helemaal niets van bakt, rekent hij zich dat zelf aan. “Dan heb ik het niet goed gedaan, dan heb ik echt de pest in.”

Toen Crombag hoorde dat Wagenaar rector zou worden, was zijn eerste reactie: “Wat zonde dat deze onderzoeker, auteur en onderwijzer voortijdig ophoudt.” Crombag ziet het er niet van komen dat Wagenaar nog colleges zal blijven geven zoals hij van plan is. “Dat lijkt me onwaarschijnlijk. Hij zal zijn vakgroep en het onderzoek overdragen. En die colleges? Ach, ik heb dat bij Job Cohen gezien, toen die rector werd in Maastricht. Toen hij hoorde dat Wagenaar nog colleges wilde blijven geven, moest Job daar om glimlachen.” Crombag weet zeker dat je als rector magnificus meer dan een dagtaak hebt.

De Leidse Universiteit met een jaarbudget (1995/96) van 517 miljoen gulden heeft 4.962 mensen in dienst, van wie 2.468 aan wetenschappelijk personeel, en er studeren 16.096 studenten.

In het college van bestuur, dat naast voorzitter L.E.H. Vredevoogd nog twee leden telt, zal Wagenaar het aanspreekpunt zijn voor wetenschap en onderzoek. Hij krijgt dan direct te maken met de vanuit Den Haag gedecreteerde verkorting van de studieduur tot vier jaar. Dat moet veel pijn doen. Wagenaar: “Voor sommige studies, zoals sinologie, lijkt me dat heel erg lastig.” Maar hij wil de vraag van de andere kant benaderen. “De minister zegt: hier heb je vier jaar, maak een plan. Voor zo'n plan hoef je je niet te schamen. Ik ben idealist genoeg om duidelijk te maken dat dit aanbod wel te aanvaarden is. Als het nou in vier maanden moest. Ook dan kun je de studenten nog wel iets aanbieden, maar het zijn vier jaar.”

Zelf studeerde hij in vijf jaar af (1960-1965), in een tijd dat achteneenhalf jaar nog heel gewoon was. “In vijf jaar kon met groot gemak, mijn studiegenoot Piet Vroon deed het in vier jaar. Als je het zo bekijkt, is het studieprogramma inhoudelijk over een periode van dertig jaar teruggegaan van vijf naar vier jaar”, aldus Wagenaar. Hij is opmerkelijk optimistisch. “Het programma is behoorlijk in elkaar geperst, maar nu komen de studenten in die vier jaar veel beter bij het front van de wetenschap en zijn ze ook beter voorbereid op de beroepspraktijk.”

De voorzitter van het college van bestuur, Vredevoogd, is het met Wagenaar eens: “Waarschijnlijk krijgen we een kleinere universiteit. Dat accepteren wij. Leiden is zeer 'disciplinair' georganiseerd. Dat willen wij blijven. Leer een echt vak, heel diep, pittig. Dat is de Leidse stijl.”

De plannen in Utrecht met het 'University College' waar een studie van drie jaar op stapel staat, ziet Wagenaar niet als een gevaar. “Ik denk niet in termen van gevaren. Er is niet één manier om studenten op te leiden.” Vredevoogd ziet in het Utrechtse experiment vooral het Amerikaanse model terug. “Onze middelbare scholen zijn heel anders, hier kun je aan een vak beginnen.”

Als rector magnificus wil Wagenaar in het college van bestuur pal staan voor enkele principiële standpunten. “Een voorbeeld? Leiden biedt opleidingen in de klassieke disciplines, en geen 'kundes'. Wij geven geen vrijetijdskunde. Daarover kun je niet gaan dealen en wheelen.”

Hij vindt het “geen onredelijke gedachte” dat de universiteit kleiner zou moeten worden. Het aantal studenten neemt af en dat heeft onvermijdelijk gevolgen. “Maar in het bestuur moet je je kwaliteitseisen handhaven.” Als er pijnlijke maatregelen getroffen moeten worden, “moet je de redenering daarachter kunnen opschrijven, zoals in een strafproces”. Zo heeft het geen zin om bijvoorbeeld de grote medische faculteit af te knijpen ten gunste van andere faculteiten, want wat is een goede universiteit zonder een goede medische faculteit, zo vraagt hij zich af. Zijn conclusie: “De verdelingsvraagstukken zijn kleiner dan je denkt.”

Vredevoogd weet wie hij in het college van bestuur naast zich krijgt. “Ik ken Wagenaar al heel lang. Hij is decaan geweest. Hij zal de zaak goed bij elkaar houden. Hij blijft een onafhankelijk denkend man.”

Het plezier waarmee Wagenaar college geeft, weet hij misschien nog te overtreffen tijdens de voorstellingen die hij geeft met een van zijn circa honderdvijftig toverlantaarns. “Met de toverlantaarn kom je op veel verschillende sporen. Waar gaan die plaatjes over? Welke verhalen werden ermee uitgebeeld? En voor welk publiek? En soms moet je uitknobbelen hoe zo'n lantaarn precies werkt.” Vroeger ging hij nog wel met lantaarn en plaatjes op pad om een of andere bijeenkomst op te luisteren, maar hij heeft nu een eigen, permanent theater. “Ja, gewoon aan huis. Met vijftig zitplaatsen, met foyer en garderobe.” Samen met zijn dochter geeft hij zo'n twee voorstellingen per maand. “De grondslag is de skill, en de behoefte om een boodschap over te brengen.”

Zijn ogen glimmen van plezier. Het repertoire is geen probleem. “Nee, ik weet niet hoeveel plaatjes ik heb, mijn dochter is een keer begonnen met tellen, maar het zijn er zeker enkele tienduizenden.” En die strikjes, die naait hij zelf. “Even een paar lapjes halen, en hup, ik heb weer een voorraadje voor een jaar.”