Geen hond te zien

Wanneer je in Zuid-Afrika het jachtluipaard, de olifant, de neushoorn en de springbok in het wild hebt gezien valt het je eens te meer op dat in het straatbeeld de gewone hond ontbreekt. Je ziet zelden of nooit iemand die zijn hond uitlaat.

Er zijn ook geen stoeptegels die discreet verwijzen naar de goot als passende latrine voor de hond. Ik heb in geen enkele krant gelezen dat de lokale overheid maatregelen overweegt om eigenaren te verplichten zelf de uitwerpselen van hun hond te verwijderen van het trottoir. In Nederland is daar een aparte wethouder mee belast.

Toch speelt de hond een grote rol in de Zuidafrikaanse samenleving. Kijk je onder de rubriek 'huisdieren' in de krant, dan blijkt dat in negen van de tien advertenties jonge honden worden aangeboden. Opreg geteel, stertjie afgekap en ontwurm. De tiende advertentie bevat het aanbod van braadkuikens of papegaaien. Geen poezen. Maar waar blijven al die honden dan? Die honden zijn thuis. Je moet voor beter begrip van de Zuidafrikaanse situatie bedenken dat een samenleving al een hoge graad van beschaving bereikt moet hebben wil je je hond kunnen uitlaten. Iemand die hier zijn hond uitlaat, is bijna altijd in gedachten verzonken. Daarom is hij er ook meestal te laat bij om zijn hond naar de goot te slepen. Er ligt een metafysisch waas van wereldvreemdheid over baas en hond. Dat is een erkende bijwerking van het uitlaten. Maar je kunt je in een Zuidafrikaanse stad niet veroorloven in gedachten verzonken te zijn. Verstrooidheid kan fataal zijn. Je moet altijd waakzaam en alert zijn, want in de schaduw van elke lantaarnpaal kan een overvaller staan. Daarom laten de mensen hun hond niet uit.

Een andere reden waarom je zelden baas en hond een gemoedelijk wandelingetje ziet maken, is dat de hond altijd thuis moet zijn. Dat is zijn maatschappelijke positie. Alle vrijstaande huizen liggen op een ommuurd stuk grond. Die muur is er niet in de eerste plaats om dieren buiten te houden, maar om de honden los te kunnen laten. Zij beschouwen dat stuk grond als hun eigen terrein en worden geacht iedereen te verscheuren die er niets te zoeken heeft.

Rondom het huis liggen hun uitwerpselen en de vreemdeling denkt: waarom liggen die niet gewoon op het trottoir zoals we gewend zijn? Maar het antwoord zit in diefwering. Op veel gevels staat de mededeling 'Armed response'. Het schijnt dat je mag schieten op een binnendringer als je hem daar eerst voor hebt gewaarschuwd.

De Zuidafrikaan is er de godganse dag mee bezig de dief een stapje voor te zijn en dat legt een nationale paranoia over het land die mij na twee weken begon te vervelen. Het is vermoeiend om steeds op een overval bedacht te zijn. Maar mijn gastheren wezen mij erop dat dit een bekende omslag is in de mentaliteit van toeristen die rampzalig kan zijn. Als je angst voor de overvallen geen obsessie meer is, dan ben je vrijwel verloren. Een beschaafde samenleving wordt gekenmerkt door de mate waarin zij haar leden momenten van gedachteloosheid garandeert. Die momenten zijn in Zuid-Afrika schaars. En neem het autorijden. De verkeersveiligheid staat op gespannen voet met de persoonlijke veiligheid. Stoplichten, daar moet je beducht voor zijn. Dan kan er een overvaller bij je op de achterbank springen. De portieren moeten altijd vergrendeld zijn en wie zijn snelheid matigt, rijdt zijn dood tegemoet. Het is alsof je voortdurend bij Arie Luyendijk in de auto zit op de 'ovaal' van Oklahoma. Er zijn wel snelheidslimieten, maar die worden niet zozeer overschreden als wel verdubbeld. Wat je in alle redelijkheid geen overschrijding meer kan noemen. Zo spoed je je van veilige zone naar veilige zone. Daarbinnen kan het heel aangenaam en ook vertrouwd zijn, omdat zoveel aan Nederland herinnert. Maar een merkwaardig psychisch effect van deze verplichte gespannenheid is, dat de bezoeker zich 's nachts in bed afvraagt: wat zou ik hier nou doen als ik het hier voor het zeggen had. En na een maand tobben lijkt het antwoord onvermijdelijk, dat hij het ook niet zou weten.

    • Jaap van Heerden