Een klimtocht naar de drempelafstand

LINSCHOTEN, 19 AUG. Een polsstokverspringer heeft drie grenzen, zegt Erik Bos uit Bodegraven. “De eerste twee jaar probeer je droog de overkant te halen. Vervolgens moet je over de 15-meter-lijn heen. Daarna ga je pas aan verbetering van je persoonlijk record denken.” Hoewel de 21-jarige Bos zijn record van 16,30 meter dit weekeinde niet kon kunnen verbeteren, is hij al heel blij met drie sprongen over de drempelafstand. Hij is droog gebleven.

Bos is één van de vijftig deelnemers aan de traditionele tweekamp polsstokverspringen tussen Holland en Friesland in het Utrechtse Linschoten. Beide ploegen hebben een selectie samengesteld van 25 springers, verdeeld over vier categoriëen: vrouwen, jongens (tot 16 jaar), junioren (tot 20) en senioren. Voor elke groep geldt een andere drempelafstand. De senioren moeten een minimale afstand van 15 meter overbruggen, de junioren 14 meter en de vrouwen en jongens 12 meter. Iedere deelnemer maakt drie sprongen waarvan het beste resultaat meetelt voor het klassement. Een 'natsprong' of een foutsprong wordt toch beloond met het aantal meters van de drempelafstand. Aan het eind van de dag worden alle beste individuele sprongen bij elkaar opgeteld.

De strijd tussen de twee 'polsstoklanden' die sinds 1968 wordt georganiseerd, geldt niet als de belangrijkste wedstrijd in het seizoen. Daarvoor is de tweekamp niet spannend gemoeg. De Friese fierljeppers domineren de sport al jaren. Bij het Nederlands kampioenschap, waar de individuele titel op het spel staat, valt voor een polsstokverspringer meer eer te halen.

“Vroeger toen de tweekamp nog spannend was, heerste er meer rivaliteit tussen Holland en Friesland”, weet Bos. “Het had wel iets van de voetbalwedstrijd Nederland-Duitsland. Nu is de strijd een stuk vriendschappelijker.” Toch heeft de tweekamp nog wel iets weg van een interland. Voorafgaand aan de wedstrijd klinken het Wilhelmus en het Friese volkslied uit de luidsprekers, terwijl beide teams keurig in twee rijen tegenover elkaar staan opgesteld.

De deelnemers springen niet, zoals je zou verwachten, over een sloot heen. Polsstokclub Linschoten beschikt over een eigen terrein, een stuk weiland aan de rand van het dorp waarin een waterbassin van vier meter diep is gegraven. Drie houten steigers steken vanaf het verhoogde middengedeelte van het weiland in het water. Het bassin is circa 15 meter breed en ruim dertig meter lang. Over en voor elke steiger ligt een rubberen mat uitgerold. Hierover nemen de springers een aanloop van een meter of twintig. Volgens het vakjargon springen de atleten 'in de polsstok'.

Fierljeppe is geen gemakkelijke sport. Volgens Bos is één sprong zelfs zwaarder dan drie kwartier voetballen. “Het is een combinatie van kracht en en techniek”, vertelt Sjoerd Huitema, secretaris van de Frysk Ljeppersboun. “Je moet als springer heel atletisch zijn. De renkracht van de aanloop moet je kunnen omzetten in de klimkracht. Tijdens het klimmen is het zaak de stok goed in balans te houden om in een rechte lijn de overkant te halen. De 'uitsprong' is vervolgens een stukje turnen.”

Het klimmen is inderdaad een belangrijk onderdeel bij een succesvolle sprong. Gelouterde springers hebben de elf meter lange polsstok verlengd met nog een meter, om maar zo hoog mogelijk te kunnen klimmen. De meeste polsstokspringers hebben een stuk fietsband om hun voet en onderbeen gewikkeld, om meer grip op de aluminium stok te hebben. De handen zijn ingesmeerd met hars.

Het lukt lang niet alle deelnemers om droog de overkant te bereiken. “Ik sprong met iets te weining vaart in de stok, waardoor ik het dode punt net niet haalde”, vertelt Jos Meskers uit Hillegom, terwijl hij zijn bondsshirt uitwringt. “Maar ja, natspringen hoort er ook bij.”

De truc is om zo lang mogelijk met de stok te blijven zweven, legt Meskers uit. “Zodra je in de stok hangt moet je omhoog kijken. Dan trek je tijdens het klimmen de stok als het ware naar achteren en gaat hij heel langzaam over. Als dat goed lukt krijg je er echt een kick van.”

Neerlands beste polsstokverspringer is Aart de With uit Benschop, houder van het nationaal record van 19,40 meter. De meervoudig nationaal kampioen kwam in Linschoten tot 17,30 meter. Die prestatie was goed voor de eerste prijs bij de senioren, maar onvoldoende om de Friezen van de eindoverwinning af te houden. Friesland won met het riante verschil van 10,46 meter en mag dit jaar voor de zeventiende keer op rij zijn naam in de wisselbeker graveren.