De holocaust als voorbeschikking

In zijn studie Hitler's willing executioners probeert Daniel Goldhagen de daders van de holocaust tot leven te wekken. Ze waren geen blinde werktuigen, maar mensen van vlees en bloed, met hun eigen familieleven, werkkring en kennissen, en met opvattingen over goed en kwaad.

Over het geheel genomen handelden de daders, vaak 'gewone Duitsers', vrijwillig uit een antisemitisch geloof. Niet uiterlijke dwang maar innerlijke overtuiging bewoog de voltrekkers van de holocaust.

Over de merites van het boek wordt uiteenlopend geoordeeld. Zo beweren verschillende historici, waaronder bij ons Von der Dunk, dat het boek een onheuse simplificatie is en overigens niets nieuws bevat, terwijl andere historici van naam, zoals Gordon Craig en Hans-Ulrich Wehler, ondanks kritiek van mening zijn dat het boek nieuw licht werpt op oude vragen.

Zeker is dat het tal van indringende waarnemingen en vragen bevat, die niet allemaal even nieuw zijn, maar het overdenken ruimschoots waard. Goldhagen laat zien dat leden van de politiebataljons die massaal joden ombrachten voor hun 'operaties' de keuze kregen voorgelegd of ze wilden deelnemen aan het uitkammen van de getto's en aan de executiepelotons. Er waren mogelijkheden om dat niet te doen, zonder dat men daarvoor werd bestraft.

Ze waren geen radertjes in het systeem van deportatie en vernietiging, maar mensen die oog in oog met hun slachtoffer, dag in dag uit, onschuldige mannen, vrouwen en kinderen om het leven brachten. Als er dus ergens verzet, onbehagen en uitvluchten geregistreerd zouden moeten kunnen worden, dan in deze politiebataljons die samengesteld waren uit doorsnee Duitsers. Toch werd van de mogelijkheden om zich aan de volkerenmoord te onttrekken slechts sporadisch gebruik gemaakt.

Ook al zoekt men naar meer variëteit in de beweegredenen van de daders, zoals Von der Dunk terecht doet (in NRC Handelsblad, 27 juli), dan nog laat zich moeilijk loochenen dat het antisemitisme een cruciale rol speelde. Met talloze voorbeelden laat Goldhagen zien hoe velen in Duitsland in de joden een dodelijke bedreiging zagen voor Duitsland. Of dat een grote meerderheid was is natuurlijk moeilijker te zeggen. Te vaak concludeert Goldhagen dat de afwezigheid van openlijk protest een teken van gretige instemming is.

Waarom is er zoveel verwarring over dit boek? Goldhagen zegt bescheiden slechts één van de oorzaken van de holocaust te willen analyseren: het wereldbeeld van de daders. Toch houdt hij zich niet aan die zelfbeperking. Zo citeert hij een antisemitische uitlating en geeft als commentaar: 'Door deze eenvoudige observatie en bekentenis legt deze ex-beul de wortels van de holocaust bloot' (cursivering PS). Kortom, alle verklaringen wijzen naar het antisemitisme als oorzaak bij uitstek.

In zijn wil om het unieke van de holocaust te onderstrepen, verzet Goldhagen zich tegen elke meer 'universele' verklaring. De vernietiging van het jodendom kon alleen maar in Duitsland doorgevoerd worden. Waarom? Een oud en in aanleg uitzonderlijk gewelddadig antisemitisme maakte Duitsland rijp voor Auschwitz. Er is geen vergelijk en geen excuus: “The road to Auschwitz was not twisted”, schrijft hij. Met deze voorbeschikking worden de joodse assimilatie en periodes van betrekkelijke tolerantie in Duitsland weggepoetst.

Goldhagen legt zoveel nadruk op culturele continuïteit, dat daarmee de betekenis van 1933 als politiek omslagpunt kan worden onderschat. Het antisemitisme werd staatsdoctrine en dag in dag uit werden de joodse medeburgers verantwoordelijk gesteld voor de ondergang van Duitsland. De wrok tegen joden, die een deel van de Duitsers voor 1933 voelde, maar een ander deel helemaal niet, werd opeens gelegitimeerd door het staatsgezag. Dat was niet alleen een organisatorisch gegeven - zonder de staatsmachinerie geen holocaust - maar ook een morele rechtvaardiging voor velen.

Verder geeft Goldhagen de context van de oorlog onvoldoende gewicht. Ondanks alle discriminerende maatregelen en gewelddadigheden werd de holocaust pas na de aanval op de Sovjet-Unie in gang gezet. In deze oorlog, die een zelfgewilde strijd op leven en dood werd, kon het 'joods-bolsjewistische complex' als een ultieme bedreiging worden gezien. Pas in die toegespitste omstandigheden werd de daad bij het woord gevoegd, en konden tienduizenden 'gewone Duitsers' tot daders van een volkerenmoord worden.

Goldhagen mist bijvoorbeeld de betekenis van de woorden die een commandant, Trapp, spreekt tot zijn bataljon voordat ze in een Pools dorp alle joodse inwoners moeten vermoorden. Eén van de deelnemers: “Hij wees ons erop dat we thuis vrouwen en kinderen hadden die blootstonden aan luchtaanvallen. We moesten ons er vooral van bewust blijven dat daar veel vrouwen en kinderen bij omkwamen. Met dat voor ogen zouden we minder moeite hebben met de uitvoering van het bevel voor de komende moordactie”. Uit zo'n verslag blijkt toch dat het antisemitisme als motief niet voldoende was, en blijkbaar een 'oog om oog, tand om tand', een soldatesk gevoel van vergelding, moest worden aangesproken om het aanstaande moorden te rechtvaardigen?

Zonder een bij velen levend antisemitisme in Duitsland geen holocaust: daarin moet men Goldhagen gelijk geven. Hij heeft in navolging van een auteur als Browning, op een hardhandige en dwingende wijze het beeld verstoord van een dictatuur waarin geen enkele persoonlijke verantwoordelijkheid tot gelding kon worden gebracht.

Maar dat is niet het hele verhaal. De morele verdoving, die het mogelijk maakte voor de daders om hun wandaden te rechtvaardigen, kwam voort uit een antisemitisme, dat na 1933 met staatsgezag werd bekleed en pas in oorlogsomstandigheden tot dodelijke wasdom kon komen. Bij Goldhagen zijn dat louter omstandigheden, die het genocidale antisemitisme vrij spel hebben gegeven, terwijl staatsgezag en oorlogssentiment onderdeel vormen van de beweegredenen van de daders.

In deze zin zijn de motieven van 'Hitlers gewillige beulen' niet in één dimensie te vangen: zonder loyaliteit aan de staat en de roes van de oorlog had de wil tot vernietiging van de joden niet bij zovele daders postgevat. En ook dat is natuurlijk nog lang niet het hele verhaal: het gebied tussen actief geloof en verzet kent vele schakeringen.

Waar het uiteindelijk om gaat, is of deze genocide los staat van andere voorbeelden van volkerenmoord in deze eeuw. Goldhagens weigering om 'universele' verklaringen toe te laten en zijn keuze om alles te relateren aan een Duits antisemitisme, zondert de motieven van de daders van de holocaust te zeer af van andere voorbeelden van etnisch geïnspireerde volkerenmoord in de moderne tijd.

Genocide is geen Duitse uitvinding. Integendeel, het boek van Goldhagen leert ons, voor zover dat nog nodig was, dat er in extreme omstandigheden blijkbaar een dunne lijn is die de doorsnee burger scheidt van de doorsnee dader. De 'banaliteit van het kwaad' springt je vanaf elke bladzijde tegemoet. Ondanks de bedoeling van Goldhagen zijn het toch vooral gewone Duitsers en geen gewone Duitsers die uit zijn boek oprijzen.

Met de 'uniciteit' van de holocaust wordt meestal bedoeld dat het een nulpunt van de beschaving vertegenwoordigt, juist omdat er geen ander voorbeeld is van een hoog ontwikkeld land, waar de barbarij zich zo heeft gemanifesteerd. Maar misschien zijn de wijze woorden van Sigmund Freud over de Eerste Wereldoorlog ook van toepassing op de Tweede: “In Wirklichkeit sind die Menschen nicht so tief gesunken, wie wir fürchten, weil sie gar nicht so hoch gestiegen waren, wie wir's von ihnen glaubten”. Dat is geen geruststellende gedachte.