Brood-oproer reden tot zorg voor Jordaanse koning

Zijn kamerdienaar had hem alle ridderordes en lintjes die hij maar kon vinden op de borst gespeld. Aldus versierd, verscheen zaterdag een vastberaden en zeer ferme koning Hussein in militair uniform voor de Jordaanse televisie om zijn onderdanen toe te spreken. Hij liet hun weten dat het land voor de keus staat tussen orde en chaos.

“Het vaderland heeft ieder van u nodig, alsmede uw waakzaamheid, uw vastbeslotenheid en uw solidariteit om het oproer uit te roeien”, sprak de koning, verwijzend naar de grootscheepse onlusten die vrijdag na het middaggebed in Karak en drie andere stadjes van Zuid-Jordanië waren uitgebroken. Daar wonen 's konings trouwste onderdanen - vrijwel geen Palestijnen met de Jordaanse nationaliteit, maar mensen die zich 'èchte Jordaniërs' noemen. Vanuit hun tribale cultuur zijn zij gewend hun stamleiders en de opperste van die leiders - de wijze en beminde koning - door dik en dun te volgen. Als de bewoners van dit slaperige en zéér traditionele gebied banken en overheidsgebouwen in brand steken en de politie bestoken met stenen en molotov-cocktails - en in een enkel geval zelfs met kogels - dan heeft de koning reden tot zorg.

Maar volgens hem waren de onlusten allerminst spontaan, zoals diverse waarnemers ter plaatse hebben gemeld. “Slinkse en bedrieglijke elementen” hadden de protesten aangezwengeld. “Zij vertegenwoordigen wat is overgebleven van de aanhangers van partijen die, wat betreft ideologie en geloof, van buiten Jordanië opereren.” Hij beloofde “met ijzeren vuist” tegen hen op te treden. Later verduidelijkte de koning in een interview met CNN dat hij mensen had bedoeld “die in Irak zijn opgeleid, dan wel pro-Iraakse sympathieën hebben”.

Nadrukkelijk ontkende Hussein, die als uitmuntend politiek tacticus het nooit tegen twee vijanden tegelijkertijd opneemt, dat aanhangers van het moslim-fundamentalistische Front van Islamitische Actie (IAF) bij de rellen betrokken waren, hoewel de woordvoerders van deze partij vorige maand ernstige bedreigingen lieten horen. Wèl liet hij doorschemeren dat wellicht parlementsleden de rellen hadden geïnstigeerd. Daarom is ten behoeve van het onderzoek op zijn bevel de buitengewone zitting van het parlement voor beëindigd verklaard, maar zal de gewone zitting van het parlement in september gewoon doorgaan.

De onlusten die zaterdag naar een wijk in de hoofstad Amman oversloegen, lijken als twee druppels water op het oproer dat in april 1989 Jordanië vijf dagen lang op zijn grondvesten deed schudden. Toen de regering onder leiding van 's konings boezemvriend, premier Zeid al-Rafa'i, op aandrang van het IMF (het Internationale Monetaire Fonds) besloot om zowel de benzine- als de broodprijs te verhogen, kwamen de burgers van de stad Ma'an in opstand, waarna andere steden volgden.

Nadat er twaalf doden waren gevallen, moest de regering van Zeid al-Rifa'i, die door vrijwel iedereen van corruptie en wanbestuur werd beschuldigd, aftreden. En de koning, “zeer geschokt” over de klachten van zijn volk, waarover hij naar zijn zeggen “niet was ingelicht”, zag zich genoodzaakt de bevolking iets meer politieke inspraak te geven. Het was het begin van 'het democratische experiment', dat in Jordanië en het bevriende Westen luid werd toegejuicht en in november van dat jaar resulteerde in de verkiezing van een aanvankelijk nogal ondeugend parlement. De aldus geïnstalleerde democratie zou ervoor zorgen dat de koning in de toekomst wèl goed zou worden geïnformeerd.

Hij kan nu niet meer zeggen dat de broodonlusten van de afgelopen dagen voor hem als een verrassing kwamen. Medio vorige maand dreigden de oppositie-partijen en de vakbonden publiekelijk met “niet gewelddadige protest-betogingen” als de overheid de voorstellen van het IMF zou overnemen om de broodprijs te verdrievoudigen. En twee maanden geleden al liet de oppositie bij wijze van waarschuwing herhaaldelijk het woord Ma'an vallen.

Inderdaad was de prijs van het brood belachelijk laag: 85 fils, oftwel 20 cent per kilo. Maar het jaarinkomen per hoofd van de bevolking in Jordanië is ongeveer 2.500 gulden per jaar en eenderde van de 3,8 miljoen Jordaniërs leeft onder de armoedegrens. Voor iedereen is brood het belangrijkste, voor de armen soms zelfs het enige voedingsmiddel. Het was dus duidelijk dat een drastische verhoging van de broodprijs tot grote sociale en politieke onrust zou leiden.

Eveneens was het te voorzien dat de oppositie dankbaar gebruik zou maken van de geboden kans. De grootste oppositiepartij is het IAF, dat thans 15 van de 80 zetels in de Jordaanse Tweede Kamer inneemt. Een merkwaardige mengeling van tien linkse en Pan-Arabische partijen (waaronder de communisten en de Irak-gezinde Ba'ath-partij, die de afgelopen decennia dankzij de royale giften van Saddam Hussein enorm is gegroeid) trekt sinds ongeveer twee jaar, samen met het IAF, ten strijde “om land, volk en cultuur van Jordanië, de Arabische Natie en de Islamitische Natie te verdedigen tegen de zionistische overname” - dat wil zeggen tegen de vrede met Israel.

De 'warme vrede' met Israel, waarvoor de koning, zijn broer, kroonprins Hassan, en premier Abdel Karim al-Kabariti zich zo enthousiast inzetten, is bij de bevolking heel wat minder populair. Zeker nu de meeste mensen geen tastbare resutaten zien van het voortdurend aangekondigde 'vredesdividend', maar in tegendeel een verslechtering constateren van hun omstandigheden. De koopkracht is niet toegenomen, de werkloosheid daarentegen wel (tot 35 procent), evenals de inflatie (tussen de 15 en 25 procent), terwijl de kloof tussen rijk en arm steeds groter wordt.

Maar de oppositie moet behoedzaam te werk gaan in haar pogingen de vrede met Israel onderuit te halen. De koning immers bestempelt die kwestie niet alleen als van het hoogste nationale belang, maar ook als zijn verantwoordelijkheid. Aangezien hij onschendbaar is en niemand hem durft aan te vallen, heeft de oppositie al haar pijlen gericht op het economische beleid dat voor rekening van de regering is. Dat is niet zo moeilijk omdat de regering-Kabariti volgens de officiële aankondigingen de corruptie zou bestrijden, terwijl naar het gevoel van de mensen de corruptie juist sterk is toegenomen. De verhoging van de broodprijs van 20 naar 44,5 cent per kilo is voor de oppositie dan ook een kans voor open doel.

Met of zonder corruptie moest de regering-Kabariti, in februari door de koning geïntroduceerd als een ploeg jonge, frisse en op economische hervormingen gespitste technocraten, de subsidie op graan vaarwel zeggen. De graanprijzen op de wereldmarkt zijn namelijk tot record-hoogte gestegen, waardoor alleen al de kosten voor de graansubsidie dit jaar met meer dan eenderde dreigden op te lopen tot 150 miljoen dinar (36 miljoen gulden). Alle subsidies tesamen leidden tot een deficit van circa 360 miljoen gulden op het regeringsbudget, waardoor het hervormingsprogramma van het IMF dat dit jaar van start ging, op de klippen dreigde te lopen, en Jordanië nieuwe kredieten zou mislopen.

Na de storm van kritiek die al in juni losbarstte op de “slaafse volgzaamheid” van de regering tegenover het IMF, werd het besluit om de subsidies op te heffen wat aangepast. De werknemers van het zwaar overbezette ambtenaren-apparaat zullen met een loonsverhoging worden gecompenseerd. De armen krijgen bonnen, waarmee zij goedkoop voedsel kunnen kopen. En de regeringskranten maakten uitvoerig melding van het feit dat de 300.000 in Jordanië woonachtige buitenlanders en de rijken niet langer kunnen profiteren van de veel te goedkope broodprijs.

Maar de getroffen maatregelen zijn onvoldoende in een tribale samenleving die aan het moderniseren is. Door de trek naar de grote steden neemt de traditionele saamhorigheid van de stam in snel tempo af. De collectieve solidariteit met de stamgenoten zorgde ervoor dat de individuele stamgenoten altijd konden rekenen op een sociaal vangnet. De verstedelijking, de snel groeiende bevolking en de nog sneller veranderende consumptie-eisen veroorzaken echter groter individualisme.

Terwijl het vroeger zo vanzelfsprekende groepsbelang van de stam vervaagt, is het arme Jordanië niet in staat de noden van zijn burgers op te vangen. De koning probeert wel op ouderwetse wijze de trouw van individuele onderdanen te belonen. Maar zijn financiële mogelijkheden zijn beperkt. Hij kan deze of gene - vaak zelfs zijn politieke vijanden - op zijn kosten een medische behandeling aanbieden in Engeland. Hij kan ook, zoals hij onlangs deed, een minister een huis in Amman cadeau geven ter waarde van 650.000 dollar. Maar hij kan onmogelijk alle burgers bijstand bieden.

Zo ontstaan er lacunes voor die individuele burgers die niet meer kunnen rekenen op hulp van de stam, en ook niet invloedrijk genoeg zijn om de hulp van de staat af te dwingen. Zij weten niet of zij, werkloos en vaak nergens ingeschreven, inderdaad de beloofde voedselbonnen zullen krijgen, of dat die door hoger geplaatsten in de samenleving zullen worden ingepikt - zonder dat zij zich daartegen kunnen verweren. Zij vallen tussen wal en schip, en zijn dus gemakkelijke instrumenten voor de oppositie. Vroeger kregen zij een extra centje van de Ba'ath-partij, nu van het Front van Islamitische Actie. Daarmee hebben de politieke partijen de rol van beschermer en sociaal vangnet gedeeltelijk overgenomen van de stam.

Die combinatie van traditie en modernisering was ook dezer dagen merkbaar. In Karak riepen de notabelen “Leve de Koning” en vervloekten zij de door hun koning aangestelde minister-president (“Weg met Kabariti”). Maar tevens vervloekten zij het het nota bene door henzelf gekozen parlement. Zij wisten niet meer precies waar zij de grens van hun kritiek moesten trekken. Want het parlement had zich fel tegen de afschaffing van de subsidies verzet.

Ook de koning leeft in die gevoelswereld van traditie en modernisering. Daarom liet hij, precies als vroeger, zijn moslim-fundamentalistische tegenstanders met rust. Daarentegen liet hij honderden aanhangers oppakken van 'linkse' partijen: de Ba'ath-partij en de Hached-partij, de Jordaanse zuster van het Democratisch Front voor de Bevrijding van Palestina onder leiding van Nayef Hawatmeh. Maar omdat hij gedwongen is aansluiting te zoeken bij de Westerse vrije markt-economie en dus móet privatiseren en liberaliseren, blijft hij de aanwijzingen volgen van het IMF.

Brood-oproeren worden in de Arabische wereld altijd met geweld de kop ingedrukt. Maar ze worden ook als de pest gevreesd door de heersers, voor wie aanhankelijkheid en dankbaarheid van de onderdanen bijna even belangrijk is als zuurstof. Nog steeds wordt koning Hussein door zijn volk zeer gerespecteerd, zelfs door degenen die hem vroeger wilden liquideren. Hij weet te geven en te nemen, maar kent hij ook de grenzen van zijn macht, die hij zonder al te veel bloedvergieten uitoefent.

Wat hem zorgen moet baren, is dat de onlusten van de afgelopen dagen doorgingen, ook nadat hij zijn volk streng en bestraffend had toegesproken. Het is een een teken dat hij zijn oude en vertrouwde regeermethoden niet veel langer meer kan aanwenden.