Voorbij

Niets groots of meeslepends houdt ons tegenwoordig nog bezig, las ik onlangs in deze krant. Niet in dezelfde bewoordingen maar dit is de strekking. Het lijkt of schijnt wel dat het leven steeds internationaler en sensationeler wordt maar als je het met je ogen van morgen bekijkt, blijkt het vandaag alweer van hetzelfde laken een pak te zijn.

Dat hindert vooral de columnisten onder ons want waar in vredesnaam moeten ze het nu weer eens over hebben. Nicolaas Beets werd met zijn Camera Obscura de 'kopieerlust des dagelijksen levens' verweten. Daar staat niets in wat tot heldenverering heeft geleid. De enige van al zijn personages die het heeft overleefd, en het zelfs tot type heeft gebracht, is Nurks, een onaangenaam mens in de Haarlemmerhout. Eigenlijk een columnist.

Niets groots en meeslepends dus. Zaterdagmiddag, de Amsterdamse Paleisstraat, tussen het Uitzendbureau X en het Koninklijk Paleis. Veel bedelaars op doortocht naar de Dam of de Kalverstraat. Daar loopt een heer die er niet als een bedelaar uitziet. Hij benadert een welwillend-argeloze voorbijganger en zegt: 'Meneer, ik kom uit Rozendaal. Nu is mijn auto weggesleept, en ik moet even opbellen. Hebt u twee gulden?' De argeloze vindt twee gulden in zijn broekzak en redt de Rozendaalse automobilist. Loopt verder in de overtuiging dat hij een kleine weldaad heeft verricht. Denkt dan: Bellen naar Rozendaal om daar te melden dat z'n auto in Amsterdam is weggesleept? Helemaal naar Amsterdam gereden zonder twee gulden bij zich? Allemaal onzin. Dit is een bedelaar met een nieuwe truc.

Nog van niets wetend sprak ik een uurtje na dit voorval deze weldoener. Hij zei: 'Begrijp je waarom ze mij altijd moeten hebben? Engelse jongeren die één gulden voor de boot naar huis tekort komen. Bejaarden die de hele dag nog geen koffie hebben gedronken. Vervallen dames die zomaar een tientje willen hebben. Jongens die om een sigaret vragen. Man van een jaar of veertig met een kaal beplekte hond die al in drie dagen geen brok heeft gegeten. Allemaal komen ze bij mij. Hoe komt dat toch'?

Toevallig had ik ook iets meegemaakt. Ik vertelde hoe ik nog maar een paar minuten geleden op het Rokin was aangesproken door een keurige man. 'Meneer', had hij gezegd. 'Ik kom uit Appingedam. Nu is mijn auto weggesleept, en ik moet even opbellen. Hebt u misschien twee gulden voor me?' Hoe vind je dat! besloot ik.

'Dat is wel heel toevallig,' zei hij, en vertelde over de man uit Rozendaal. We wisselden signalementen uit en alles was hetzelfde, behalve de plaats van herkomst. Waarschijnlijk iemand met een voorkeur voor provincieplaatsen, gekozen om de zelfbewuste hoofdstadbewoner een onwillekeurig gevoel van superioriteit gemengd met medelijden bij te brengen en dan toe te slaan. Maar waarom telkens een andere plaats van herkomst? Dat konden we niet begrijpen. Het was me wat.

Hoe komt het dat de goede bedelaar altijd de mensen kiest die tot afdragen bereid zijn? Daar ging het om. Hoe herkennen ze de vrijgevige? Zien ze een latent medelijden? Of juist de arrogantie die sommige vormen van weldoenerschap kenmerkt: een zie mij, ik ben een goedertieren mens. Of is het nog iets anders: een gemakzucht gepaard aan zuinigheid die iemand ertoe brengt, een dubbeltje te geven om van het gezeur af te zijn? Of gewoon de angst om nee te zeggen?

'Van wie, van welk type zou je als bedelaar het liefst iets krijgen?' vroeg ik.

'De echte bedelaar kan dat niets schelen. Een bedelaar die zijn vak verstaat, herkent ze alle vier. In de omvang van de aalmoes vindt hij het bewijs van zijn vakmanschap. Wie durft er trouwens nog een dubbeltje te geven? Het laagste tarief is tegenwoordig een gulden.

Verder lopend kwamen we aan een levend standbeeld. 'Die zijn ook niet meer wat ze geweest zijn,' zei mijn goede bekende.

'Hoe bedoel je?'

'Een paar jaar geleden had je iemand die zichzelf helemaal had verkoperd. Nu denken ze dat ze al genoeg hebben gedaan als ze zich een beetje wit hebben gemaakt. Komt dat door de verzorgingsstaat? Als ik zo iemand was zou ik er meer werk van maken.'

'Heb je daar denkbeelden over?'

'Die mensen stellen over het algemeen zichzelf voor. Verderop heb je Madame Tussaud. Daar staan de wassen beelden die iemand anders voorstellen. Ik denk aan een symbiose: een levend standbeeld dat iemand anders voorstelt. Een goed gevormd masker, kleding, alles precies lijkend, spitting image zoals het heet, en dan op een kist gaan staan, op de hoek van de Dam. Of wat je ook zou kunnen doen: een dierenkop opzetten.'

'Heb je iemand in het bijzonder op het oog. Of wie zou je dan zelf willen zijn?'

'Dat zijn twee moeilijke vragen. Experimenteel zou ik het liefst onze kroonprins willen zien, louter om de reacties van het publiek te peilen, als aanvulling op de NIPO-enquête, wetenschappelijk. En zelf? Het liefst een dier. Een wild zwijn denk ik.'

'Mag dat?'

'Waar zijn de grenzen? Dat moeten we proefondervindelijk vaststellen, met fotografen erbij en dan in de krant.'

'Weet je nog meer gaten in de markt?'

'Ik denk aan een aanwijsstok voor de weerman op de televisie. Dan hoeft hij niet meer steeds met zijn hand over de kaart te strijken terwijl hij precies voor het gebied gaat staan waarvan je wilt weten wat voor weer het daar is. Een stok met een waaier aan het einde, die open en dicht kan en die allerlei kleuren kan aannemen, aangepast aan de weersverwachting.'

Terwijl hij zijn idee ontvouwde klaarde hij even op. Toen zuchtte hij en zei: 'Ja, maar toch is de Koude Oorlog voorgoed voorbij.'