Verzet tegen beslissing van fiscus loont vaak

'Leuker kunnen ze het niet maken ... duurder wel!', persifleert de folder van de Nederlandse Vereniging van Belastingbetalers (NVB) de nationale promotiecampagne van de Belastingdienst. Als eerste en enige organisatie behartigt de drie jaar oude vereniging de belangen van particuliere belastingplichtigen.

Dat is hard nodig, meent mr. Marjan Langbroek, fiscalist bij de NVB. Want: belastinginspecteurs hebben volgens haar lang niet altijd gelijk, het oordeel van rechters kan per district verschillen, en miljarden belastinggeld worden onnodig verspild.

Ter bescherming van Neerlands zuur verdiende belastingcenten strijdt de organisatie op twee fronten. Een telefonische helpdesk voor leden, de jaarlijkse Belastingadviesgids en het tweemaandelijkse tijdschrift Belastingbetaler geven individuele besparende aangifteadviezen. Daarnaast moeten overleg en controle op gemeentelijke, provinciale en landelijke overheden belastingverhogingen voorkomen en onnodige verkwisting van belastinggelden aan de kaak stellen.

De telefonische ledenservice van de NVB werkt principieel anders dan de landelijke Belastingtelefoon, legt Marjan Langbroek uit. “Die hebben, in tegenstelling tot ons, geen fiscaal juristen in dienst. Ze adviseren dus niet. Zodra het antwoord op een vraag niet voorkomt in hun handleiding weten ze het niet meer.” De vereniging daarentegen speurt naar voor de belastingbetaler voordelige mogelijkheden, mazen en wijzigingen in de fiscale wetgeving.

Neem een moeilijk interpreteerbare aftrekpost als kosten van levensonderhoud. Voor studerende kinderen, die studiefinanciering krijgen of waarvoor recht op kinderbijslag bestaat, is die aftrek normaal gesproken uitgesloten. Geldt dus omgekeerd dat de kosten van studerende kinderen, waarvoor geen financiële tegemoetkomingen zijn, wel aftrekbaar zijn? Niet altijd, oordeelde de inspecteur tot voor kort. In het buitenland studerende kinderen moesten hun toelage voor levensonderhoud maar lenen van hun ouders, 'omdat ze straks vast en zeker een goede baan vinden' en het geld zodoende kunnen terugbetalen. Een rechterlijke uitspraak beoordeelde dit standpunt onlangs als onjuist. De kans op een baan is onzeker; de kosten voor buitenlandse studenten kunnen daardoor wèl aftrekbaar zijn, als ze zichzelf financieel niet kunnen bedruipen.

Aftrekbare kosten als deze veroorzaken een eindeloze reeks rechterlijke uitspraken en disputen met belastinginspecteurs. Langbroek: “Die zijn min of meer verplicht extreme standpunten in te nemen.”

De keerzijde van deze omstandigheid is dat ingaan tegen een beslissing van de inspecteur vaak de moeite waard is. De belastingplichtige begint daartoe met een bezwaarschrift. Krijgt hij geen gelijk, dan kan hij voor 75 gulden eigenhandig een beroep instellen bij het Gerechtshof. Volgens Langbroek levert dat vaak wat op. “In ongeveer de helft van de gevallen krijgen mensen gelijk.” Of een uitspraak positief of negatief uitvalt, is overigens wel deels een kwestie van geluk, benadrukt ze. “Uitspraken kunnen per rechter verschillen. Het is eigenlijk net een lot uit de loterij, want je bent aangewezen op het Hof en de rechters in je eigen district.”

Een voorbeeld van een vaak succesvol aangevochten aftrekpost zijn de kosten die gemaakt worden als bijdrage in het levensonderhoud van ouders die men in huis neemt, ook al ontvangen die ouders een AOW-uitkering. Langbroek: “Wegens ziekte kan sprake zijn van bovennormale uitgaven voor gas, elektriciteit of huur. Als je dat, aan de hand van cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek of het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting, kunt aantonen, zijn die extra kosten wel aftrekbaar.”

Het zijn vooral de onduidelijke normen waardoor onenigheid tussen belastingbetaler en inspecteur, en daarmee een kans voor de belastingbetaler, ontstaat. Aftrekbare kosten zijn namelijk fiscaal slechts een aftrekpost als ze zowel voldoen aan het zogenaamde omvangs- als aan het vergelijkingscriterium. Een voorbeeld. Een sportleraar koopt voor tweeduizend gulden sportkleding. Zijn collega's geven gemiddeld echter slechts twaalfhonderd gulden uit, en vergelijkbare niet-sportleraren tweehonderd. Volgens het omvangscriterium mag de sportleraar nu niet meer aftrekken dan twaalfhonderd gulden. Nu moet hij zijn uitgaven daarnaast, volgens het vergelijkingcriterium, afzetten tegen de bestedingen van mensen met een ander beroep. Spenderen die tweehonderd gulden aan hun sportoutfit, dan mag de sportleraar uiteindelijk twaalfhonderd minus tweehonderd is duizend gulden beroepskosten aftrekken.

“De inspecteur stelt de normen meestal zelf vast”, weet Langbroek. “Soms beroept hij zich daarbij op statistieken of op onderzoeken van de FIOD, maar dat is door de rechter al een paar keer gigantisch onderuit gehaald. Bovendien heeft de Hoge Raad gezegd dat het omvangscriterium zich niet leent voor een strikt cijfermatige benadering. Zolang het in het redelijke blijft, moet je al je kosten dus toch gewoon opvoeren. Kom je er met de inspecteur niet uit, dan zal de rechter erover moeten oordelen.”

Lidmaatschap van de Nederlandse Vereniging van Belastingbetalers (073 - 614 95 55) kost 50 gulden per jaar.