Tribale paranoia domineert langs grens van Rwanda met Burundi

KANYARU, 17 AUG. De Rwandese grenswachter aan de grens met Burundi haalt mismoedig zijn schouders op. “Zie je al die wanhopige Burundiërs?” wijst hij naar een groepje wachtenden dat al dagenlang bij de gesloten grenspost Kanyaru bivakkeert. “We mogen ze niet eens laten terugkeren naar hun eigen land.

Uit solidariteit met de regio doet Rwanda mee aan deze blokkade tegen Burundi, maar ik vind het belachelijk.'' Hij loopt naar de plaatselijke bar in niemandsland en voegt zich bij een rijzige Tutsi van

het Rwandese Patriottische Leger (RPA), het Rwandese regeringsleger. Deze staat amicaal te babbelen met een gestrande Tutsi uit Burundi. “Rwanda had zich nooit bij de boycot tegen Burundi moeten aansluiten”,

verkondigt de druk gebarende militair, “we schieten onzelf in de voet.”

De voortvarendheid waarmee Oostafrikaanse leiders economische sancties invoeren tegen Burundi in een poging het nieuwe militaire regime van Pierre Buyoya te wurgen, is zonder precedent in de recente Afrikaanse politiek. Ondanks deze vastberaden houding bestaan er twijfels. “In de Rwandese regering vrezen velen dat eenzijdige druk op de Tutsi Buyoya de

weg vrijmaakt voor een radicale Hutu-beweging om de macht over te nemen in Burundi”, zegt een Rwandese politicus in de hoofdstad Kigali. “Zo'n

regering kan samen met Rwandese Hutu-rebellen in Zaïre de strijd aanbinden met het Rwandese leger. De Zaïrese strijdkrachten krijgen

dan een voorwendsel om zich aan hun zijde te scharen. Dat zal desastreuze gevolgen hebben voor Rwanda. De dynamiek van de conflicten in de regio is geheel gewijzigd sinds de afkondiging van de sancties.''

Met verbazing observeren Westerse diplomaten in de regio hoe de Afrikaanse leiders in rap tempo de strop rond Buyoya's nek aantrekken. Openlijk kunnen ze zich er niet tegen verzetten. Het Westen dreigde immers zelf maandenlang met strafmaatregelen als het Burundische Tutsi-leger het burgerregime van Hutu-president Ntibantugangya omver zou

gooien. Nu dit eenmaal is gebeurd, zwijgen de diplomaten. In werkelijkheid hadden Westerse landen namelijk al lang hun hoop verloren in de zwakke Ntibantugangya. Buyoya achten ze daarentegen wel in staat om de vicieuze cirkel van geweld te doorbreken.

Een Westerse diplomaat in Kigali bespeurt al evenveel hypocrisie in de houding van de Oostafrikaanse leiders: “Ze maken een grote fout door de

sancties in te voeren. Alsof democratische principes voor hen plotseling

belangrijk zijn geworden. Deze sancties kunnen een steun in de rug betekenen voor degenen die we juist willen bestrijden.''

De angst extremisten in de kaart te spelen, aan zowel Hutu- als Tutsi-zijde, ligt ten grondslag aan de kritiek op de boycot van de gematigde Buyoya. De conflicten in Rwanda en Burundi laten zich niet simpelweg verklaren als een stammenstrijd tussen Hutu- en Tutsi-bevolkingsgroepen. Machtsstrijd binnen de twee groepen zelf - tussen concurrerende elites en clans - vormde de afgelopen veertig jaar de aanleiding voor de achtereenvolgende bloedbaden in beide landen. Van de tribale polarisatie als gevolg van deze bloedbaden profiteren de extremisten. Zij spelen nu een hoofdrol. In Rwanda oefenen zij invloed uit op Hutu-boertjes die zij, na de 'niet geheel volbrachte' genocide in

1994, opnieuw tegen de Tutsi's ophitsen. En in Burundi wint het radicalisme aan invloed onder zowel de Tutsi's, bij wie een panische angst bestaat voor een nieuwe genocide, als onder de Hutu's, die na de moord in 1993 op hun president Ndadaye gefrustreerd zijn geraakt.

De radicale Hutu-ballingenleiders in Zaïre maken in hun machtsstrijd met de door Tutsi's gedomineerde regimes in Kigali en Bujumbura geen onderscheid tussen een demografische en een democratische

heerschappij: de Hutu's vormen de overgrote meederheid dus de Tutsi-minderheid heeft geen gelijke rechten. In extreme vorm betekent dit, zoals in 1994 in Rwanda gebeurde, dat alle Tutsi's dood moeten.

Deze ideologie van de genocide leeft voort onder Hutu's in het Gebied van de Grote Meren. Dankzij de bescherming van internationale hulporganisaties en de Zaïrese autoriteiten konden de extremisten de kampen met anderhalf miljoen Hutu-vluchtelingen uit Rwanda en Burundi

ontwikkelen tot militaire uitvalbases. In toenemende mate slaan de Hutu-rebellen uit beide landen de handen ineen. Zij ontvingen sinds januari onder meer uit Zuid-Afrika lichte wapens, explosieven en communicatie-apparatuur. Volgens bronnen in Pretoria verdelen zij onderling de illegale Zuidafrikaanse wapenleveranties. “Er bestaan aanwijzingen voor nauwe samenwerking”, vertelt een bron bij de Verenigde Naties in Kigali. “Toen de Burundische Hutu-rebellen van Leonard Nyangoma twee jaar geleden hun strijd begonnen, ontbrak het hun aan wapens en opleiding. Die situatie in inmiddels drastisch veranderd. Want eind vorig jaar gingen officeren van het in 1994 naar Zaïre uitgeweken voormalige Rwandese leger de Hutu-rebellen assisteren.”

De beide Hutu-rebellenbewegingen onderhouden contacten in de Zaïrese stad Bukavu en werken vermoedelijk samen in het Njungwe-woud, dat grote delen van zowel Zuidwest-Rwanda als van Noordwest-Burundi bestrijkt. Met toenemende daadkracht operen sinds enkele maanden beide rebellenlegers. Vanuit Zaïre en het Njungwewoud drukten de Burundische Hutu-stijders het Burundische regeringsleger in het defensief. Aan de overkant van de grens, in de streek rond Cyangugu en verder noordwaarts, valt het de Rwandese regeringsstrijdkrachten steeds moeilijker om de toenemende infiltraties van Rwandese Hutu-strijders te voorkomen.

Rwandese Hutu-strijders voeren sinds mei vanuit vluchtelingenkampen in Zaïre herhaaldelijk aanvallen uit in West-Rwanda op Tutsi-overlevenden en -getuigen van de genocide, die nu als heel kleine minderheid moeten leven onder de Hutu's. Hierbij verloren tenminste 85 Tutsi's het leven. De plaatselijke Hutu-bevolking verleent de binnendringers steun - vrijwillig of onder dwang. Het onderbezette Rwandese leger opereert in een vijandige omgeving en vindt geen passend antwoord op deze militaire strategie. (Negen Amerikaanse militaire adviseurs staan sinds kort het Rwandese leger bij.)

Rwandese Tutsi-soldaten reageerden na deze guerrilla-aanvallen op 'soft targets' in de afgelopen weken met moorden op Hutu-burgers, die ze verdachten van sympathie voor de rebellen. Een nieuwe cyclus van geweld komt op gang. “In tegenstelling tot Burundi koester ik nog vertrouwen in het Rwandese regeringsleger”, zegt een hoge VN-diplomaat. “De Rwandese regering werkt nog steeds aan samenwerking met de Hutu's, terwijl de Burundische machthebbers scheiding tussen Hutu's en Tutsi's stimuleren. Maar ik vrees dat door de omstandigheden Rwanda de Burundische kant uitgaat. De tribale paranoia is door de acties van de rebellen nu bijna compleet. Rond de stad Giterama bijvoorbeeld trekken angstige Tutsi's weg, ze vrezen voor hun veiligheid.”

Binnen de drie Burundische Hutu-guerrillabewegingen bestaan verschillende politieke stromingen en het is onduidelijk in welke mate de ideologie van de genocide onder hen heeft postgevat. Leonard Nyangoma, de voornaamste leider, staat op het punt te worden uitgenodigd

voor vredesbesprekingen. Het is dus niet in zijn belang zich voor te doen als Hutu-extremist. Maar ook zijn strijders doden op grote schaal onschuldige Tutsi-burgers. Zij kunnen daarbij een voorbeeld nemen aan het ongedisciplineerde Burundische regeringsleger dat, zij aan zij met radicale Tutsi-milities, zonder onderscheid Hutu-burgers afslacht.

Burundi toont de Rwandese machthebbers iedere dag de ramp die onvermijdelijk volgt op een misdadig optreden van het regeringsleger. Rwandese militairen vertellen geen vertrouwen te hebben in hun Burundische collega's, die doorgaans al vanaf 11 uur in de ochtend volstrekt dronken zijn. “Wij houden er een geheel andere ideologie op na dan de machthebbers in Burundi. Rwanda is Burundi niet. Wij vormen geen extremistisch Tutsi-bewind”, verzucht een hoge Rwandese militair. Maar geconfronteerd met hetzelfde buitenlandse gevaar dreigen de Rwandese en Burundische regimes in elkaars armen te worden gedreven. In Cibitoke vochten beide legers onlangs al samen in een antiguerrillacampagne.

Hoe valt de cyclus van geweld in het Gebied van de Grote Meren te bestrijden? In Burundi dringen Oostafrikaanse leiders aan op overleg tussen de Hutu-rebellen en het Tutsi-bewind. In Rwanda wordt een soortgelijke legitimiteit niet toegekend aan de Hutu-ballingenleiders wegens hun rol in de genocide van 1994.

Een hoge VN-medewerker wijst Zaïre als hoofdschuldige aan omdat het

de moordenaars beschermt, hun onderdak verleent en helpt om een nieuwe oorlog te beginnen: “De grootste bedreiging voor Rwanda komt van de vluchtelingenkampen aan de Zaïrese grens. Als daar geen oplossing voor komt, dan zal Rwanda in grote moeilijkheden geraken.”

    • Koert Lindijer