Tegen de schijn

Over vier weken worden in Bosnië verkiezingen gehouden. Dat wordt een volstrekte schijnvertoning, daarover zijn alle waarnemers het eens. De leiders die uit de oorlog omhoog zijn gekropen, werpen zich nu op als kandidaten, sluiten alle mededingers uit met eenvoudige intimidatie, dwingen hun volksgenoten om in het eigen etnisch territoir te stemmen, en hebben elk geluid dat afwijkt van hun propaganda gesmoord met straatterreur.

De verkiezingscampagne is een voortzetting van de oorlogscampagne, en niet eens met andere middelen. Maar in dat politieke vrieshuis kan het soms toch nog vrolijk toegaan. Zo begaf zich dezer dagen de clown Christopher in de haastig opgetrommelde menigte, kuste baby's, streelde kleuters, en riep de omstanders op vooral te gaan stemmen. En als frappe maakte hij zich bekend als de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken. Want de komedie moet tot elke prijs nog achtentwintig dagen worden gerekt, dan wordt er nog twee maanden in alle stilte doorgehuicheld, tot de verkiezingen in de VS voorbij zijn.

Wat de roverhoofdmannen met de wapens niet gelukt is, wordt voor hen voltooid door de inspanning van de complete Westerse alliantie: de algehele segregatie van de bevolking in drie bloedgroepen, Serviërs, Kroaten en moslims, in drie deelrijkjes, elk onder het schrikbewind van de dienstdoende bendeleider zelf.

Na de verkiezingen komt grootscheeps de internationale hulpverlening op gang: buitenlandse leningen en investeringen, die allemaal zullen verdwijnen in de kas van de vers verkozen opperhoofden.

De vrede is in Bosnië hersteld. Het zal nog lang heel rustig zijn in die contreien. De bendeleiders hebben elkaar gevonden in de grote drieklank van het slotakkoord. De buit is verdeeld. Wie daartegen binnenslands zijn stem verheft wordt afgeschoten, maar met de geluiddemper op de loop. De kritiek in West-Europa en de VS wordt bedaard gesmoord door de gezagsdragers zelf: zonder de medewerking van de Bosnische voormannen is immers de vrede onmogelijk.

Dit is het Andreotti-argument. Wie de orde wil bewaren moet de maffia ter wille zijn. De gevolgen zijn vermakelijk, of beschamend, dat hangt van het morele standpunt af. Op dinsdag luidde een kop op de voorpagina van deze krant: 'NAVO wint prestigeslag van Serviërs.' De NAVO, zoals sommige krantenlezers zich zullen herinneren, is de machtigste militaire alliantie in de geschiedenis van de mensheid. De Serviërs waarvan in de titel sprake is, dat zijn de Bosnisch Servische krijgsbendes die zich als plunderaars, brandstichters, verkrachters, sluipmoordenaars, kampbeulen en met de massale liquidatie van duizenden gevangenen inderdaad een reputatie hebben verworven, maar in het geregeld gevecht vooral uitmuntten in dolle vlucht. Een prestigeslag, vast en zeker, maar dan in het gezicht van de democratie.

Het ging om de inspectie van een wapendepot, vlakbij het hoofdkwartier van de oorlogsmisdadiger Ratko Mladiç tegen wie een internationaal opsporingsbevel is uitgevaardigd. Waar deze Mladiç zich vertoont, trekken de IFOR-soldaten de helm diep over de ogen en stuiven blindelings uiteen, uit angst dat zij hem zouden moeten arresteren. Daarmee immers zou het vredesproces in gevaar gebracht worden.

De ergernis die hier zo heftig wordt verwoord, hoort tot de laatste stuipen van de Westerse verontwaardiging. Maar wees niet bezorgd, die gaat wel weer over. Nog een paar maandjes slapen en Bosnië is een heel gewoon ellendig landje, zoals er zoveel zijn in die streken en in de rest van de wereld. Ook in Bulgarije en Roemenië is het niet pluis, om van de meeste voormalige Sovjet-republieken maar te zwijgen. In Slowakije zal het bewind met belangstelling kennis nemen van de vorderingen die het etnisch schoonmaakbedrijf in Bosnië onder Westers toezicht heeft geboekt. Ook daar moeten nog heel wat inheemse zigeuners en Hongaren worden weggepoetst.

De Europese Unie kan heel goed voortbestaan met die volkstirannieën aan haar grenzen. West-Europa is niet anders gewend, na vijftig jaar coëxistentie met de volksdemocratieën in het Oosten. Nu de protectie van de Sovjet-Unie is weggevallen zijn die volkstirannieën misschien onwelriekend, maar niet langer bedreigend. Voor Tsjechië, Hongarije en Polen ligt het anders: daar groeit in een broze democratie een prille vrije markt. Die volkeren zijn daarin tot dusverre geslaagd omdat ze vertrouwden op de economische, en vooral op de morele steun van het Westen. Dat kan nu alleen nog blind vertrouwen zijn. En ook de verwachting dat zij zouden kunnen toetreden tot de Europese Unie wordt steeds verder uitgehold. Het wordt immers veel te duur. Dat komt door de subsidies waarop zij dan recht zouden hebben, beweren de Europese gezagsdragers omdat ze de concurrentie van goedkope producten uit die landen vrezen.

Maar daar gaat het niet echt om. Waar het werkelijk op aan komt, dat is de EMU, de Europese Morele Unie. Daar is geen draaiboek voor opgesteld, daar wordt in Brussel en Frankfurt niet over vergaderd en daar wordt op de beurs niet in gespeculeerd. Maar dat is de grondslag van Europa.

De Europese Unie is een vrijwillig samengaan van Europese volkeren. Een geweldloze vereniging van naties is in de geschiedenis vrijwel zonder precedent. Dat het in Europa zover gekomen is, bijna halverwege, is al een unicum. Maar verder komt het niet, bij gebrek aan overtuiging.

De Europese Gemeenschap was bovenal een weerwoord op de Tweede Wereldoorlog. Ze was de antithese van het nationaal-socialisme. Die Europese eenheid ontleent zijn waarde aan de drie grote bijdragen die de Europese traditie heeft toegevoegd aan de politieke cultuur: de rechtsstaat, de parlementaire democratie en de verzorgingsstaat. Die politieke beschaving was in het geding in Bosnië en met die missie raakten de Westerse mogendheden betrokken bij de strijd. Maar als straks de bordkartonnen zetstukken van de Bosnische verkiezingen zijn weggeregend, rest niets dan de grote Europese leegte.