Steeds weer gekwelde mans- en vrouwspersonen

Tentoonstelling: P.A.H. Hofman (1885-1965), Haags Sierkunstenaar. T/m 20 okt. Meermanno-Westreenianum, Prinsessegracht 30, Den Haag. Di t/m vr 11-17u, za-zo 12-17u. Cat ƒ 25,-

De ongeveer honderd boekbanden die graficus Pieter Hofman vanaf 1919 tot in de jaren vijftig ontwierp, zijn zwaar van ernst. Opgesloten in nadrukkelijke contouren kijken zijn menselijke figuren, vaak in een wijde toga gewikkeld, afgemeten en somber voor zich uit, star als een masker. Hun gebaren zijn verwijtend of extatisch, maar steeds vol pathos. De boektitels waarvoor deze illustraties moesten dienen, zijn dan ook niet misselijk: De vrouw die uitgestooten werd of De profeten van Israël. Het begrip 'toegepaste kunst' werd door Hofman in die gevallen nauwgezet opgevat: treurige titel, treurig boek, treurige boekband. Maar waarom de kwartaalbladen van een kalender voor 1928 ook met die doodserieuze en gekwelde mans- en vrouwspersonen zijn opgesierd, is minder duidelijk.

Het zwaarwichtige en stereotype figurenrepertoire is des te eentoniger, omdat Hofman gesteld was op symmetrie in zijn affiches, boekbanden en ander klein grafisch werk. Twee in een lang gewaad geklede figuren op een affiche voor de 'Hygiëne-Tentoonstelling' (1920), Asklepios en Hygieia, zitten stijfjes tegenover elkaar met een schaal en de doktersslang. Even nors en in het geheel niet feestelijk zijn twee soortgelijke gestaltes, afgebeeld op een insigne voor een Delfts lustrumfeest, of op een boekenlegger die de Vereniging Nederlandsch Fabrikaat in 1922 liet verspreiden. Hofmans figuratieve, tegen het symbolisme van Toorop aanleunende decoraties doen nu sterk gedateerd aan.

Bij de aardigste boekbanden die museum Meermanno-Westreenianum op de Hofmanexpositie toont, ontbreekt de menselijke figuur. Een boekje over staal als bouwmateriaal (1933) vertoont op de voorkant alleen maar een luchtige constructie van U'-en T'-balken plus de (verkorte) titel in een schreefloze letter. De dynamiek van dit ontwerp wordt mede bepaald door de diagonale vlakvulling, destijds vooral bij de Nieuwe Typografie van Piet Zwart en Paul Schuitema populair. Slauerhoffs 'De opstand van Guadalajara' uit 1937 behoort met de rode en zwarte letters en lijnen op een helder geel fond ook tot de banden die door hun visueel karige, louter typografische onderdelen blijven boeien.

P.A.H. Hofman werd in 1885 in Teteringen geboren. Zijn vader was officier en wilde voor zijn zoon Pieter in elk geval geen artistieke loopbaan. In 1909 volgde Hofman toch een avondopleiding beeldhouwen aan de Academie voor Beeldende Kunst in Den Haag, waarnaar het gezin inmiddels was verhuisd. Veel meer kunstonderricht kreeg de aankomend graficus niet: Hofman was nagenoeg autodidact. In 1911 werd hij voor halve dagen benoemd tot klerk bij het Ministerie van Binnenlandse Zaken, dat later voor een deel overging naar het Departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen. Maar in de crisisjaren kwam er een onvrijwillig eind aan Hofmans ambtelijke carrière. In 1933 werd hij ontslagen. Hij bleef in Den Haag wonen, kreeg opdrachten voor vignetten, getuigschriften, advertenties en zelfs postzegels en was een actief lid van de Haagsche Kunstkring. Tijdens de bezetting schortte hij zijn artistieke arbeid noodgedwongen op, maar na de oorlog bereikte hij niet meer zijn oude niveau. In 1965 overleed hij. Vermeldingen van Pieter Hofmans activiteiten in publicaties over de Nederlandse typografie uit de eerste helft van deze eeuw zijn buitengewoon summier. Hij was bepaald geen voorloper op zijn terrein en heeft nu bovendien het nadeel dat veel van de auteurs voor wie hij in de jaren twintig en dertig een boekband ontwierp, volstrekt vergeten zijn, uitzonderingen als Van Schendel, Nescio en Bordewijk daargelaten. Een dieptepunt in Hofmans carrière als boekontwerper is de dertigdelige serie Baedeker voor de huisvrouw, in de jaren 1953-1955 op de markt gebracht door de Nederlandse Boekenclub en gestoken in wit kunstleer. Uitgever en materiaal klinken niet veelbelovend en bovendien, wie leest er nog Van vingerhoed tot strijkplank?

Hofman was behalve op het gebied van boekbanden - zijn voornaamste werkterrein - actief als glazenier. In 1926 kreeg hij een eerste grote opdracht en wel van Piet Kramer, de architect van de Haagse Bijenkorf. Hofman maakte voor het warenhuis drie panelen waarin hij de technische, kunstzinnige en menselijke vooruitgang in beeld bracht. Het overvolle raam vertoont een wirwar van bezige mensen, paarden en voertuigen, doorbroken door prominente loden lijnen. Dezelfde verheerlijking van de werkende mens spreekt uit een wat later glasraam dat bestemd was voor de Provinciale Geldersche Electrische Energiemaatschappij. Arbeiders in overall zijn druk doende of kijken met respect naar hun opperhoofd, een man in een blauw pak. Niets wordt overgelaten aan de fantasie van de beschouwer.

Bij Hofmans glazen wreekte zich na de oorlog, in mindere mate dan bij de boekontwerpen, een verslapping in stijl, een vermindering van kracht en van vaart. Op een overzichtstentoonstelling als deze van Pieter Hofman mag ook het laatste werk van de kunstenaar niet ontbreken. Maar zoals zo vaak het geval is, daarmee doet men de kunstenaar in zijn beste jaren geen recht.