Stedebouw

J.L.P.B. FINALY: Doorbroken barrières. Architect F.W. van Gendt (1831-1900) en de negentiende-eeuwse stadsuitbreidingen.

112 blz., geïll., Thoth 1996, ƒ 44,50

Toen in 1901 de Woningwet tot stand kwam, die onder andere voorschreef dat gemeenten met 10.000 inwoners en meer voortaan voor een 'plan van uitleg' dienden te zorgen, betekende dat een mijlpaal in de Nederlandse stedenbouw. Tot dan werd er meestal op weinig gereglementeerde manier uitgebreid en was het proces in handen van speculanten en particuliere ondernemingen. Meestal stond niet de leefkwaliteit voorop, maar economisch gewin of een maximale grondopbrengst.

Kenmerkend voor zulke uitbreidingen waren het rechte beloop van de straten, dat vaak door bestaande verkavelingen werd bepaald, het intuïtieve karakter van de plannen, de gebrekkige ontsluiting en verder de spaarzaamheid van groen en het gemis van een totaalconcept. De

19de-eeuwse uitbreidingen ten behoeve van de arbeidersbevolking hadden ook nog eens een kwalijke naam door de hoge dichtheden, de inferioriteit

van de gebruikte materialen en de slechte voorzieningen. De Woningwet eiste dan ook dat alle gemeenten een verordening met kwaliteitseisen voor woningen invoerden.

In 1874 bepaalde de Vestingwet de overgang op linie-verdediging door middel van inundaties, forten en stellingen, waardoor een groot aantal vestingsteden als zodanig werd opgeheven. Zeven jaar daarvoor was de architect Frederik Willem van Gendt, oudere broer van Adolf Lodewijk, die onder meer het Concertgebouw in Amsterdam ontwierp, aangesteld als 'Ingenieur voor de Ontmanteling der Vestingen'. In die functie was hij verantwoordelijk voor de afwikkeling van de sloop der stedelijke vestingen, maar vooral voor de herinrichting van de vrijgekomen gronden en de verkoop ervan.

De vestingwerken waren sinds 1814 bij wet eigendom van het rijk geworden, zonder dat daar enige vergoeding aan de steden tegenover had gestaan en het werd dan ook als zeer onbillijk ervaren dat diezelfde steden de gronden zestig jaar later werden verondersteld terug te kopen.

In de praktijk gebeurde dat echter vrijwel overal op den duur toch. Van Gendt zorgde inmiddels meestal voor een stedebouwkundig ontwerp, terwijl

het rijk verder de infrastructurele voorzieningen voor zijn rekening nam. Van Gendts ontwerpen betreffen een negen steden tellend lint dat van Nieuwenschans (G) over Nijmegen buitenom de grote rivieren naar Bergen op Zoom loopt, aangevuld met de steden Groningen, Venlo en Maastricht.

In Doorbroken barrières laat Isja Finaly zien dat Van Gendt bij de ontwerpen voor de vrijkomende gemetselde en aangeaarde vestingwerken van een totaalplan uitging. Tot de mooiste voorbeelden hiervan behoren Breda en Maastricht, waar grote delen van zijn plannen min of meer zijn uitgevoerd. Kenmerkend zijn de boulevardachtige rondwegen om de steden, die grotendeels voorbijgaan aan het kronkelige beloop der oorspronkelijke singels. Landschapsarchitecten als de Zochers, Roodbaard

en later Springer lieten deze bochten juist intact wanneer zij hun stadswandelingen op de wallen ontwierpen, waardoor delen van de singels in bijvoorbeeld Utrecht en Haarlem nu voor doorgaand autoverkeer ongeschikt zijn. In Maastricht is de thans zeer drukke verkeersas van de

Statensingel, de Hertogsingel en de Prins-Bisschopsingel in 1868/1881 - dwars door onder andere de 'Hoge Fronten' - ontworpen door Van Gendt.

In Breda kwam een nieuwe singelgracht tot stand, die maar weinig gemeen had met de oorspronkelijke twee- en soms drievoudige natte barrière. Terwijl in Breda belangrijke delen van het vestinggebied vanwege de Koninklijke Militaire Academie in gebruik bleven als militaire terreinen, werd hier ook een deel van Van Gendts stedebouwkundig ontwerp uitgevoerd. Zijn straatplannen voor het noorden en westen waren rond 1900 al grotendeels gerealiseerd en bebouwd met huizen voor welgestelden en volkswoningen.

Als uitgangssituatie in dit waardevolle boek geeft Finaly steeds een vergrote uitsnede van de Topografische en Militaire Kaart van omstreeks 1850 en als sluitstuk een vergroot detail van de Chromotopografische Kaart van rond 1910. Daartussen passen een of meer ontwerpschetsen van Van Gendt of van anderen, die veelal - schitterend - in kleur zijn gereproduceerd.