Soeharto's Nieuwe Orde brokkelt snel af

Na de rellen van de afgelopen weken lijkt de rust in Indonesië

hersteld. Maar volgens J. Breman springen steeds meer barsten in de Nieuwe Orde van president Soeharto. De snelle economische groei heeft verwachtingen gewekt omtrent vrijheid en welvaart die het regime niet waarmaakt.

Indonesië's bevolking van 200 miljoen heeft een jeugdige leeftijdsopbouw. In het straatbeeld zijn jongeren opvallend aanwezig. De

meeste deelnemers aan de openluchtbijeenkomsten en optochten vorige maand in Jakarta waren niet of nog maar net volwassen mannen en vrouwen.

Het zou echter onjuist zijn om de golf van onrust die het land heeft overspoeld aan jeugdige baldadigheid te wijten. Oudere mensen, en dat zijn allen die 'de gebeurtenissen' van 1965 bewust hebben beleefd, zijn beducht om in demonstraties aan hun onvrede uiting te geven. Maar ook zij tonen zich in toevallige ontmoetingen weinig terughoudend en uiten scherpe kritiek op het militaire regime.

De burgerlijke ongehoorzaamheid is veel minder onverwachts gekomen dan het nu lijkt. De regelmatige bezoeker heeft kunnen waarnemen hoe de afgelopen jaren het protest tegen de Nieuwe Orde minder omfloerst is gaan klinken. In tegenstelling tot radio en tv, die volkomen gezagstrouw

bleven, durfden kranten en tijdschriften meer te schrijven. De straf - een tijdelijk of permanent verschijningsverbod - heeft journalisten niet

belet om van de groeiende publieke mondigheid te getuigen.

De onrust is volgens de officiële uitleg het werk van communisten. Dankzij tijdig optreden van het leger kon deze eens zo krachtige beweging in 1965 worden vernietigd. Maar resten ervan zijn ondergronds gegaan en voortdurende waakzaamheid tegen maatschappelijke destabilisatie is geboden. De afwijzing van elke oproep om hervorming komt voort uit een staatsleer die, in navolging van de koloniale doctrine, ervan uitgaat dat de bevolkingsmassa dom is en daarom gemakkelijk te misleiden valt. Het drijven van een handjevol subversieve

elementen kan al de vlam in de pan doen slaan. Dit gevaar rechtvaardigt direct en hardhandig ingrijpen wanneer het overheidsgezag wordt uitgedaagd. De bestorming door gehuurde knokploegen, met militaire ondersteuning, van het PDI gebouw had ten doel een einde te maken aan de

vrije meningsuiting op het voorerf, meer nog dan verjaging van de Megawati-aanhang. Voorafgaande aan de inval had SOSPOL, de legerafdeling

belast met politieke zaken, laten weten dat de Nieuwe Orde geen openbaar

platform duldde voor het voeren van oppositie. Tegengeluiden zijn alleen

toelaatbaar in beperkte kring en onder officieel toezicht.

Machtsarrogantie heeft ertoe geleid dat de leiding het zicht op de maatschappelijke werkelijkheid heeft verloren. In het buitenland is met ongeloof kennisgenomen van de suggestie dat het om een communistische samenzwering zou gaan. De pers in bevriende buurlanden zoals de Filippijnen, Singapore en Thailand heeft het straatgeweld veroordeeld maar niet zonder erop te wijzen dat de autoriteiten zèlf voor het

vuile werk particuliere bendes gebruiken. De berichtgeving van dagbladen

uit de ASEAN-regio als The Straits Times en The Bangkok Post getuigt van

bezorgdheid over de weigering van het regime toe te geven aan het verlangen naar meer democratie.

Waarom raakte de al langer bestaande onvrede vorige maand in een stroomversnelling? Los van de directe aanleiding - onhandig politiek geknoei van de machthebbers - lijkt de door Megawati op gang gebrachte tegenbeweging stem te geven aan middengroepen die vooral in de steden aan zichtbaarheid en gewicht hebben gewonnen. De uitdijing op het middenniveau is het gevolg van de gestegen welvaart gedurende de afgelopen decennia. Interessant is dat deze sociale klasse, die als geen

andere de dupe werd van Soekarno's wanbeleid, nooit haar sympathie voor de vader der natie heeft verloren en daarvan getuigt door steun aan diens dochter.

De bereikte economische vooruitgang is onmiskenbaar. Zoals ook andere delen van Azië voldoet Indonesië niet langer aan het stereotype van een arme boerensamenleving. Het land is in hoog tempo op weg naar een industrieel en urbaan bestel. De groei heeft echter de eisen die de bevolking aan het bestaan stelt verhoogd, onder invloed van

het enorme aanbod aan nieuwe consumptiegoederen en de druk die in bezit te krijgen. Zelfs voor een middenstandsgezin is dat slechts in beperkte mate mogelijk. In contrast hiermee staat de onvoorstelbare weelde waarin

een zichzelf verrijkende elite leeft. De toeëigening van de welvaartsbronnen waarover de staat beschikt door een kleine kliek - de familie Soeharto voorop - samen met het nepotisme en de corruptie waarmee dit monopoliegedrag gepaard gaat, staan openlijk ter discussie op een manier die vroeger ondenkbaar zou zijn geweest. Daarbij komt een besef van onzekerheid dat het gevolg is van de geringe groei van de werkgelegenheid in de formele sector van de economie. Onderwijs is duur en ouders moeten zich grote offers getroosten om hun kinderen een hogere

opleiding te gunnen. De uitkomst is zelden de goed betaalde en beschermde baan waarop de nieuwe generatie haar hoop heeft gevestigd. Mede uit dit leger van geschoolde maar gefrustreerde jongeren put Megawati haar aanhang.

Tegen deze achtergrond moet ook het vooralsnog stille verzet begrepen worden tegen de overvloedige aanwezigheid van buitenlands kapitaal, dat naar de mening van velen meer rijkdom uit het land weghaalt dan binnenbrengt. Het ongenoegen lijkt zich, evenals eerder het geval is geweest, te projecteren op Chinese zakenlieden. Prominente leden van deze minderheid bevinden zich tot dichtbij de presidentiële hofhouding. De vrees bestaat dat voor hun aandeel in de verrijking aan de top de minder bedeelde Chinezen op het moment van de afrekening het gelag moeten betalen. Bij een ontlading van volkswoede zullen de grootste profiteurs, van welke etnische identiteit ook, kans zien zowel het vege lijf te redden als hun losvoetig kapitaal in veiligheid te brengen. Door de aankoop van een appartement en het aanhouden van een bankrekening in Singapore hebben zij hun vluchtroute al voorbereid.

Dreigend voor de machthebbers is het verbond dat begon te ontstaan tussen Megawati en dissidenten die opkomen voor de rechten van industriearbeiders in en om de grote steden. De groeiende weerbaarheid van dit deel van de werkende bevolking vertaalt zich in de eis om hogere

lonen. De Partai Rakyat Demokrasi (PRD), kort geleden opgericht door 'informele' vakbondsleiders, trad op als spreekbuis van deze werkers. Hun eisen waren bescheiden - om te beginnen naleving van de (magere) arbeidswetgeving - en hadden een hoog sociaal-democratisch gehalte.

Meer dan op Soekarno's dochter heeft het regime het op deze 'illegalen' gemunt. Pakpahan, eerder veroordeeld als de organisator van een staking in Medan, is opnieuw gearresteerd. Ook de PRD-leiders die zich schuil hielden zijn eerder deze week opgepakt. De activisten zijn opgetreden als belangenbehartigers van de mannen en vrouwen die althans een plaatsje hebben gevonden in een van de tienduizenden industriële werkplaatsen. Veel slechter eraan toe is het reusachtige leger van los, ongeschoold volk dat op het platteland rondtrekt of tussen dorp en stad heen en weer golft. Deze massa bevindt zich ver buiten het zicht van de beleidsmakers. Zeker, de armoede in Indonesië is de afgelopen decennia in omvang en intensiteit gedaald, maar veel minder dan de rapportage van de Wereldbank wil doen geloven. Zij die opkomen voor de mensen aan de onderkant van de samenleving maken zich in het Indonesië van de Nieuwe Orde schuldig aan staatsondermijnende activiteiten.

Het regime probeert te voorkomen dat de oppositie uit de verschillende maatschappelijke hoeken samensmelt tot een gemeenschappelijk front. Het verhoor waaraan Megawati wordt onderworpen draait om de vraag of zij 'gelegenheid heeft gegeven', dat wil zeggen: bewust het vrije-woordforum

heeft opengesteld voor de leiders van de prille en nu al weer verboden arbeidersbeweging. Als Megawati afstand neemt van deze dissidenten zal zij misschien van vervolging gevrijwaard blijven. Haar bereidheid om aan

dit scenario mee te werken is twijfelachtig. Net als voor Soekarno komt een opening naar links zijn dochter goed uit. Haar PDI is politiek monddood gemaakt en aan de komende verkiezingen mag zij niet deelnemen.

Wat kan Megawati verliezen door zich halsstarrig te tonen? Haar hard aan

te pakken zou wel eens de druppel kunnen zijn die de emmer doet overlopen. De militairen lijken niet zo zeker van hun zaak en proberen de islamitische bevolking voor zich te winnen. Ook in 1965 ontvingen zij

van die zijde actieve steun bij het uitschakelen van het rode gevaar. Maar de tijden zijn veranderd. Uit dit religieuze kamp komt weinig bijval voor het legeroptreden. Wahid, de populaire voorman van de Nahdatul Ulama, is geen fundamentalist en heeft zich, hoewel voorzichtig, achter Megawati geschaard.

De orde lijkt inmiddels hersteld en Soeharto heeft nog eens herhaald geen wijziging te zullen brengen in de politieke structuur. Zij die hun hoop stelden op geleidelijke democratisering als onvermijdelijk uitvloeisel van economische groei zijn bedrogen uitgekomen. De overgang van een militaire dictatuur naar een civiele samenleving, vanuit de staatstop bevorderd, is een illusie gebleken. In alle denkbare scenario's staat de president centraal. Het is de vraag of dit geen overschatting is van zijn rol als grondlegger van de Nieuwe Orde. Op dit

ogenblik lijkt Soeharto meer een hinderpaal voor de voortzetting ervan. Er zijn aanwijzingen voor verdeeldheid binnen het militaire apparaat. Een nationalistische vleugel zou Soeharto ervan willen weerhouden een zevende ambtstermijn te aanvaarden. Zwakke gezondheid is het beste argument om zijn eclips zonder gezichtsverlies te regisseren. Met natuurlijk de garantie dat hij niet een jaar later, zoals zijn ex-collega van Zuid-Korea, in de beklaagdenbank zit.

Het regime oogt nerveus, maar dat moet niet worden overdreven. De staat is tot op het lokale niveau pregnant aanwezig en binnen de bureaucratie staat volstrekte trouw aan de Orde Baru voorop. Het personeel is zeer talrijk en verplicht Golkar-lid. Het is niet echt een partij maar een hiërarchisch-autoritaire organisatie belast met de uitvoering van bevelen van hogerhand. Wanneer elk lid voor vier tot vijf stemmen zorgt zal bij de volgende verkiezingen 80 procent van het volk achter ons staan, aldus de berekening van een partijstrateeg.

Toch vertoont deze machtsmoloch barsten. Onlangs schreef een rechter naar zijn chef een brief met klachten over fraude en handjeklap op het hoogste niveau. Dat hem ontslag werd aangezegd is niet nieuw, maar wel dat hij vervolgens met zijn klacht in de openbaarheid trad en de held werd van vakbroeders en publiek. Soldaten vertellen arrestanten geen woord te geloven van de aanklacht tegen hen ingebracht, minister Habibie

verwijt het leger en Soeharto openlijk een klopjacht op spoken te maken.

Het begint te schuiven.

Oproepen van buitenaf zullen geen verandering brengen in de aard van het

bewind. Het is al heel wat dat de grote mogendheden, in tegenstelling tot dertig jaar geleden, niet met begrip maar met zorg het harde optreden der generaals gadeslaan. Alleen druk van binnenuit en van onderop kan leiden tot wat is beloofd maar nooit gekomen: politieke en economische democratisering. Hoe zal de onafhankelijkheidsdag dit jaar worden gevierd? Ongetwijfeld met de naam van Soekarno op veler lippen.