Schuldig?

CALEL PERECHODNIK: Am I a murderer? Testament of a Jewish ghetto policeman

255 blz., Westview Press 1996, ƒ 58,30

Het komt betrekkelijk weinig voor, realiseer ik mij nu, dat voorvallen waarvan wordt verhaald in de vele geschiedenissen van de Shoah, in de talloze herinneringen van de daders en van slachtoffers van

de volkerenmoord nog diepe, blijvende indruk maken. Het zal wel gewenning zijn, of gebrek aan voorstellingsvermogen. Een gebeurtenis in het leven van Calel Perechodnik op 19 augustus 1942, beschreven in zijn destijds opgestelde maar pas onlangs gepubliceerde herinneringen, behoort tot die uitzonderlijke voorvallen.

Perechodnik, 27 jaar, vader van een dochter, was jood en politieagent in

het getto van Otwock, een kleine stad ten zuiden van Warschau. Op 17 augustus verneemt hij dat de Duitsers op het punt staan het getto te ontruimen. De gezinnen van de joodse politieagenten zullen worden gespaard. Anna, Perechodniks vrouw, vertrouwt de Duitsers niet. Ze smeekt hem een vals identiteitsbewijs te bemachtigen. Ze zou kunnen doorgaan voor een Poolse. Perechodnik weigert. In de vroege ochtend van de negentiende augustus verzamelt hij, samen met de overige joodse agenten, de achtduizend inwoners van het getto op het plein. Langzaam dringt de waarheid tot hem door. De joodse politieagenten zijn bedrogen.

Ook hun gezinnen gaan op transport. “Calel, Calel, wat moet ik doen?”,

roept zijn vrouw als ze de veewagen is ingeladen. Perechodnik pakt zijn dochter Aluska op, twee jaar oud, maar hij zet haar weer neer en loopt, op bevel van de Duitsers, weg. Hij is te bang zich bij hen te voegen. “Ze staat daar, in haar eentje”, herinnert Perechodnik zich, “hongerig, slaperig en verbaasd. Misschien begrijpt ze niet waarom haar

vader, die altijd zo goed voor haar is haar hier in het donker achterlaat. Ze staat daar en huilt niet; alleen haar ogen schijnen, die ogen, die grote ogen''. Vierentwintig uur later zijn vrouw en dochter dood. De joodse politieagent Perechodnik wist het, toen hij ze op de trein naar Treblinka zette. Perechodnik heeft zijn herinneringen geschreven in het jaar dat hij nog te leven had na de deportatie van zijn vrouw en kind. Ze hebben vijf decennia in het archief gelegen, zijn

onlangs in het Pools en nu ook in het Engels gepubliceerd. Am I a murderer? (de titel is afkomstig van de redacteur van de Poolse uitgave Pawel Szapiro) is een uniek boek. Het is naar mijn weten de enige, in extenso vertaalde en gepubliceerde mémoire van een joodse politieagent. Joodse agenten, vrijwilligers, waren over het algemeen gehaat - en niet ten onrechte. Ze werden door de joodse bevolking beschouwd als een instrument in handen van de Duitse moordenaars, als profiteurs en criminelen. Voor zover ze de Shoah overleefden hadden ze weinig reden hun herinneringen te boek te stellen. Joodse agenten passen

dan ook niet in het beeld van de Shoah. Ze waren zowel slachtoffers als daders. Szapiro typeert Perechodnik als een 'medeplichtige aan de misdaad'. Objectief gezien wellicht een juiste typering, maar ik deel de

nuancering die de vertaler en redacteur van de Engelse editie aanbrengt:

het onderscheid tussen de wreedaard die verkiest te moorden en de zwakkeling die wenst te leven.

Perechodniks allesoverheersende schuldbesef, zijn woede, zijn schaamte, zijn frustratie, zijn afkeer van vrijwel alle personages, inclusief zijn

eigen vader, die hij in zijn mémoires beschrijft, leveren geen sympathiek beeld op - niet van hemzelf en niet van zijn omgeving. De Polen, vooral de Polen komen er slecht van af in Am I a murderer? Ze zwermden als gieren om de getto's. Ze plunderden de huizen van de achterblijvers. Ze beroofden en verraadden de overlevenden. Slechts een enkele Pool bekommerde zich om het lot van zijn joodse medeburgers. Het beeld dat Perechodnik van zijn Poolse omgeving schetst is echter niet uitzonderlijk. Het komt in vele herinneringen van overlevenden voor. De beschrijving van de joodse karakters in zijn omgeving is opmerkelijker. Ze is weliswaar veel milder dan die van de Polen, maar ze is evenmin flatteus. Perechodnik beklaagt zich over het egoïsme van de joden, over hun passiviteit en lijdzaamheid, over hun wereldvreemde ijdelheid en gevoel van superioriteit.

Perechodnik ontvluchtte uiteindelijk het getto, dook onder in Warschau en sloot zich aan de Armija Krajowa, de Poolse verzetsbeweging. Hij stierf eind 1943 aan de gevolgen van tyfus - uitgeput en ontgoocheld. Hij noemt zijn herinneringen een 'biecht op mijn doodsbed', de enige mogelijkheid om ten minste een deel van zijn schuld aan de dood van zijn

gezin in te lossen. Ik heb zelden een deprimerender boek gelezen dan Am I a murderer?

    • A.W.M. Gerrits