Rijker leven

Bloemen en planten (de vaste woordcombinatie leidt tot een hinderlijke kans op een spoonerisme) zijn allemaal heel leuk en aardig, maar in mijn psychogram passen ze niet. Het groen op mijn buitenlust, een balkon op het zuidoosten, beperkt zich tot één, weliswaar spectaculaire, oleander.

Hij is me in zijn eentje genoeg om zorg voor te hebben, en hij is ook, zeven jaar oud en tweeeneenhalve meter hoog, een onderneming op zichzelf. Dat ik over een ideale overwinterplek beschikte: een ongestookt trappenhuis met veel bovenlicht, gaf me de reden om hem aan te schaffen. Om hem te verhuizen, half april naar buiten en half oktober naar binnen, moet 'de man met het hondje' tweemaal 's jaars te eten worden gevraagd; in onze conversatie wordt dat wonderlijke woord (voor een plank of bakje op vier wielen) altijd even gememoreerd, onder eenstemmige tevredenheid dat we daar weet van hebben.

Een oleander is geen kamerplant maar een oranjerieplant, die in het voorjaar niet mag gaan groeien voordat er voldoende licht en warmte is; tijdens zijn overwintering moet hij tot volstrekte stilstand komen. Snoeien, of op zijn minst de oude bloeiresten verwijderen, moet in het voorjaar gebeuren als hij naar buiten gaat. Begin je te vroeg met hem water te geven dan krijg je er scheuten aan die even uitgerekt als kansloos zijn. Dat is allemaal niet wat me moeite kost, het lastige is dat ik me elk jaar toch weer schuldig voel hoe verpieterd ik hem aantref. Nu hij zo reusachtig is geworden, worden zijn takken zo topzwaar dat ze afbreken onder hun eigen gewicht. Dit jaar zat er niets anders op dan hem zeer rigoureus terug te snoeien tot een paar kale stammen. Een boom tot een wilde bos spinazie laten uitgroeien kan iederéén, maar zo'n operatie vereist ontegenzeggelijk koelbloedigheid. Het schept vertrouwen in het leven dat je het wonder van zulke beknottingen zich wel ziet voltrekken op de grachten: hoe een rij tot stompen teruggebrachte bomen zich na een jaar kan revancheren is iets ongelooflijks. Dat betekende niet dat ik het vanzelfsprekend vond dat mijn oleander het overleven zou, al helemaal niet omdat het in april en mei zo ijzig koud was. Maar er moet een computer in hem zijn ingebouwd; het is glorieus hoeveel nieuw, glanzend en spintvrij, compact gebladerte hij in drie maanden produceerde, en met welk een gevoel voor verhoudingen: de toeven in de top overhuiven die van de lager gelegen etages. Het zou teveel gevraagd zijn om nu nog veel bloei te verwachten, en toch doet hij ook dat, bescheiden. Volgend jaar zal hij superbe zijn. Aan mijn hoogachting doet niks af dat het me bekend is dat de nerium oleander in Zuid-Europa groeit en bloeit als berm-onkruid, en in theorie vorst kan doorstaan.

Maar de oleander is mijn maximum. Tegen neigingen tot extra balkon-gezelligheid aan geraniums en lobelia, of, godbewaarme, bamboegras, heb ik me al jaren met succes geweerd. Het spijt me voor de kleine grijze poes, die een getalenteerd jaagstertje is, dat het ons aan een tuin ontbreekt, maar de grens is geleerd. In je leven moet je niet meer zorg op je nemen dan je in redelijkheid aankunt.

Het kostte twee tuinen om daar achter te komen; van beide gevallen verbaast het me hoe hardnekkig ik mezelf niet wilde kennen. De eerste tuin was het gevolg van jaren zeventig-romantiek. Zelf geitenkaas gaan maken of het een of ander te gaan verbouwen, liefst in commune-verband, deed als ideaal toen plotseling opgeld. Waarom kon ik meteen al zien wat er potsierlijk was aan die beweging, en wilde toch ook ik per se 'terug naar het land'? Ik kreeg mijn zin, die de fysieke verschijning had van een in slechte staat verkerende halfsteens-landarbeiderswoning, met een flinke lap grond, helaas vol onuitroeibaar kweekgras, brandnetel en braam. Romantiek is iets wat je gauw genoeg kunt maken: een kruidentuin ziet er met een paar klinkerstenen paadjes snel vertederend uit. Het lukte óók om een bescheiden strook te ontginnen, alwaar een rijtje populieren, wat vlinderstruiken en, tegen de omrastering, lathyrus allerlei veelbelovende dingen deden. Een acacia, wat me de mooiste boom leek die er bestond, was gauw gekocht, maar nog gauwer gestorven wegens volstrekt gebrek aan voorzorg. Die arme acacia, te groot en in het verkeerde seizoen gekocht, is van de onwil om eerst na te denken, in deze historie wel de metafoor. De hele onderneming was op weinig anders gebouwd dan op vage ideeën over Laura Ashley-achtige snoezigheid.

Maar zulke dromen over een beter, rijker, gezonder leven zijn hardnekkig. Ze vormden mijn zwakke plek toen me, vele jaren later, een hoogst vererend tuinaanzoek werd gedaan. Een buurman met zicht op mijn mooie (witte) oleander, verbond zijn compliment dienaangaande aan een onverwacht aanbod: of ik zijn volkstuin met hem wilde delen. Het was een te charmant idee om niet fataal te zijn. Hij zou het gras maaien, het allerliefste tuinhuisje opknappen en onderhouden en al zulke dingen meer, ik mocht er verder doen waar ik zin in had. En hij 'kwam er eigenlijk toch nooit'. Het staat me slecht om precies dat laatste het aantrekkelijkst te vinden. Mijn idee van een rijker leven was dat ik er de tijd en rust zou hebben om er, bijvoorbeeld, Thomas Gray's Elegy Written in a Country Church Yard te lezen, een lang en niet eens zo gemakkelijk gedicht waarvan het me stak dat ik het ergens terloops genoemd had zien worden als iets dat je, als geletterd persoon, hoorde te kennen. Maar zoveel bomen en planten als er waren (in feite was het tuintje afschuwelijk overvol, en als het werk me niet zo had afgeschrikt had ik met graagte de enorme, lelijke zilverspar meteen wel willen kappen), zo weinig eenzaamheid was er voorhanden. Mijn tuincompagnon had niet rechtstreeks durven zeggen dat het hem toch ook om 'wat gezelligheid' was gegaan.

Ik was op mijn beurt laf en verzon een half-gelogen excuus om me uit de maatschap terug te trekken: 'dat het corvee me zo zwaar viel'. Want met die voorwaarde had ik ingestemd: dat we het zaterdagcorvee, acht keer per jaar, zouden delen. De twee zaterdagmorgens dat ik veroordeeld werd tot het onkruidvrij maken van een parkeerterrein, en me voelde alsof ik met kruiwagen en schoffel werd opgebracht, staan sindsdien in mijn herinnering genoteerd als de ondraaglijke dwingelandij van socialistische volkstuinverenigingen. Dat ik geen begrip heb voor de genoegens van het buitenleven blijkt er geloof ik wel uit dat het mij véél handiger lijkt als je voor dat werk tuinmannen zou huren.