Oud is zwart gat voor ondernemers

Iedere ondernemer is jong geweest en is, als zijn bedrijf aan produceren toe is, inmiddels volwassen geworden. Als hij goed uit zijn ogen heeft gekeken - en dit mag van een ondernemer worden verwacht - heeft hij uit eigen ervaring geleerd hoe jongeren en volwassenen te benaderen.

Maar aan vergrijzing is hij nog niet toe. Uit eigen ervaring heeft hij nauwelijks een idee wat ouderen beweegt en wat ze van hem verlangen.

Het 'gat in de markt' dat hij bij hen probeert te ontdekken is aanmerkelijk zwarter dan wanneer hij met jongeren en volwassenen te maken heeft. En dit gaat ook op voor zijn zakelijke raadgevers.

Daar staat tegenover dat die oude lieden niet altijd oud geweest zijn, maar nog grotendeels met zich meeslepen wat voor hèn eens van groot belang was: de levensbeschouwing die zo rond hun 35ste jaar vaste vorm is gaan aannemen en die sindsdien meer en meer verstard is geraakt.

Bovendien, wie maatschappelijk bejaard is geworden, kan nog heel wat boven het hoofd hangen. De 40 jaar tusen de vut en de 100 is nog een hele ruk. Zo'n 'vutter' begint enthousiast met het zich eindelijk eens aan zijn hobby's wijden. Heeft hij geluk dan gaat dit heel wat jaren goed. Maar allengs dringt het meer en meer tot hem door dat hij bezig is

aan een afvalrace. Om hem heen ziet hij dan deze, dan die afhaken en wat

hemzelf betreft, zelfs enthousiasme en levenslust kunnen zijn tempo-verlaging niet tegenhouden en allerlei ongemakken niet verhinderen. Ook krijgt hij onverbiddelijk te maken met het verschrompelend en kring-vernauwend effect van het ouder worden. Tot er ten slotte 'iets' gebeurt, de terminale fase intreedt of de dood toeslaat.

Hoe grillig en ongelijk het verouderingsproces persoonlijk en maatschappelijk ook verloopt, toch blijkt er behoefte te bestaan aan een

cijfermatig vastliggende rubricering. Er kwamen standaardcijfers in omloop die geen enkele werkelijke zekerheid bieden, maar alleen de schijn ervan ophouden. Van zulke cijfers wordt een dankbaar gebruik gemaakt door hen die zich met verouderingsverschijnselen bemoeien; de wetgever bij voorbeeld. En wanneer deze getallen in de wetgeving belanden, kunnen ze zwaarwichtige gevolgen hebben. Dit geldt nog niet voor het senium - het moment dat de eerste sporen van aftakeling zich melden - en dat op het vijftigste jaar wordt gesteld. Maar het gaat wel op voor de standaardgetallen van vut- en pensioenleeftijd, op grond waarvan praktisch iedere Nederlander in loondienst de bejaardenstatus verwerft, of hij wil of niet.

Zo tussen de 80 en 85 wordt men zonder wettelijke consequenties, maar voor wie het aangaat wel duidelijk voelbaar, van bejaard hoogbejaard. Maatschappelijk heeft men dan geen andere functie meer dan om tegen keurig progressief tarief, ingevolge allerlei wetsvoorschriften te worden verzorgd en van overheidswege te worden vertroeteld, aldus de kosten van de gezondheidszorg tot in het onbetaalbare opjagend.

Zo ziet aan de hand van enkele standaardgetallen de vergrijzing eruit. Maar de werkelijkheid trekt zich van deze getallen bitter weinig aan. Bij sommigen begint de vergrijzing al op hun dertigste, anderen blijven zich onveranderd jong voelen tot hun negentigste. Laat ik dan nu voor de

hoogbejaarden spreken. Aan hen valt, als gewoon mens, voor ondernemers niet veel te beleven. Ze worden te oud om nog veel op reis of uit te gaan en hebben meestal alles al wat ze nodig hebben. Ze beginnen op te zien tegen zwaar zelf-doen, geknutsel dat goede ogen en een vaste hand vraagt, en moeizaam lezen. (De lettertjes worden zo klein en je valt zo gemakkelijk in slaap.) Laat ik een greep doen uit hun overwegingen: Met wat ik nog in de kast heb liggen of hangen haal ik het hopelijk nog wel. Al dat gedonder met die cijfers en knippen, daar raak ik de tel mee

kwijt. Al die aldoor veranderende automatisering en alsmaar ingewikkelder wordende apparaatjes werken desoriënterend; zo'n afschuwelijke kaartjesautomaat op niet bemande stations; je krijgt er wat van; eerst je bril en dan pinken naar al die stations, muntjes zoeken; net één te weinig; één zien te lenen; o verkeerd, rode knop als verlosser maar geen kaartje; ik reis maar zo weinig mogelijk meer met de trein; en dat juist nu we, om de ogen, de auto kwijt zijn; zo wordt je kringetje alsmaar kleiner. Er zijn

trouwens ook steeds minder vrinden, familieleden en kennissen om op te zoeken; de meesten zijn dood of dement.

Zo leven de hoogbejaarden, wat napiekerend en aanknopend bij veel van vroeger, omgeven door van alles wat het nog wel even uit zal houden. Het

gat in de markt zit bij deze categorie burgers nog alleen in hulp-apparatuur en pillen. Maar daarover kan ik niet verder adviseren omdat ik voor het moment nog te goed ben. Dat moeten de ondernemers maar

zelf trachten uit te dokteren. Toch nog één adviesje: hou het eenvoudig en vermijd (gewilde) moderniteit èn te veel knoppen.