Ongelovigen

In zijn bijdrage van 30 juli schrijft de heer Heldring: “Zeker, ongelovigen weten al lang dat het geloof in een God en in de waarheden die daaruit voortspruiten, een projectie is van menselijke eigenschappen.”

Ongelovigen weten het dus al lang. De vraag is nu: hoe massief is die zekerheid wel en waarop is die gebaseerd? Het lijkt erop of ongelovigen nu de zekerheid omhelsd hebben die zij de gelovigen altijd toedichtten.

Ook Rudy Kousbroek wist laatst zeker dat er geen tussenweg was tussen geloven niet geloven. “Je kunt ook niet een beetje zwanger zijn” was zijn vergelijking. Nee natuurlijk, maar een beetje geloven kan heel goed, zoals gelovigen uit de praktijk weten, en twijfelen kan ook, en zoeken en het echt niet zeker weten.

In zijn boek Existentiële Fenomenologie hanteert dr. W. Luypen de term 'sciëntisme' voor de onwetenschappelijke pretentie van sommige

wetenschappers om uitspraken te doen op gebieden die principieel onbereikbaar zijn voor de instrumenten van de wetenschap. Je kunt geen meetlat leggen langs God of hem opsporen met een satelliet. Dus dan maar

geen God, of hooguit nog als projectie? Zeker weten? Of toch maar liever

bescheiden menen (geloven) dat het misschien zo is?