Luxe tobber

“Hoe moet ik beleggen?”, vraagt een lezer. “In de krant staan al die koersen, ik heb beleggersbladen op proef gehad, boekjes gelezen, ben bij een vergadering van een beleggingsclub geweest en af en toe bel ik met de bank, maar ik weet nog niet waar ik moet beginnen.”

Deze verzuchting klinkt bekend. Er zijn meerdere oplossingen voor dit probleem. Een ervan is: koop een aandeel, of doe dat op papier, en volg het koersverloop om te proeven welke invloed beursklimaat, rente, Amerikaanse beurzen, bedrijfsberichten en (valse) geruchten hebben.

Dat is geen goed antwoord: beleggen is immers geen doel op zich, tenzij je wil spelen op de effecten- en optiebeurs, zoals particulieren wel doen. Amerikanen noemen dat zo treffend play the market. Daar is niets op tegen. Beleggen hoort een middel te zijn om (financiële) doelen te bereiken. Je begint daarom met het vaststellen van doelen en wensen als extra inkomen, ander huis, nieuwe auto, hoger pensioen, nabestaanden verzorgd achterlaten, stoppen met werken, minder belasting betalen, eigen zaak beginnen, miljonair worden enzovoort. Daarna een tijdsplan - wanneer moet wat - en de gevolgen van risico's waaraan je bloot staat. Dan pas komt beleggen aan de orde.

Iedere spaarrekening, belegging of investering heeft een uniek karakter qua opbrengst, risico, koers/prijs, verkrijgbaarheid, liquiditeit van de markt enzovoort.

Een eigen huis bijvoorbeeld, gezien als investering, lijkt goed aan de prijs, omdat er veel vraag naar is. Het is moeilijk te krijgen en makkelijk te verkopen. Je loopt bij toekomstige verkoop het risico om te verliezen op de investering, omdat de prijzen van bepaalde typen huizen thans idioot hoog zijn. Zo redeneert een koper. Een verkoper is blij met deze hoge prijzen en sterke vraag. Een spaarrekening is veilig, je kan iedere dag opnemen en storten, en de concurrentie op deze liquide markt zorgt voor hoge rentes.

Wie zijn zaken goed regelt zoekt bij ieder doel/tijdsplan de optimale belegging qua risico, rendement, vereiste produktkennis en aandacht. Hoe moet een briefschrijver uit den Haag dit matchen in grote lijnen aanpakken? Hij is 50, alleenstaand en binnenkort werkloos. Hij heeft recht op vijf jaar WW: drie jaar een aan zijn laatste loon gerelateerde uitkering en twee jaar een vervolguitkering van 70 % van het minimumloon. Wanneer hij daarna nog geen werk heeft, valt hij onder de IOAW; de wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers. Die wet komt op diverse punten overeen met de bijstandswet. Zo zijn de uitkeringen vrijwel gelijk. Een belangrijk verschil is het ontbreken van de vermogenstoets in de IOAW, terwijl de inkomenstoets beperkter is dan bij de bijstand. Inkomsten uit alimentatie, onderhuur, verhuur, vermogen en andere inkomsten, niet uit arbeid ontvangen, blijven buiten beschouwing.

Die vermogens- en inkomenstoets zijn belangrijk voor de briefschrijver: hij heeft 300.000 gulden spaargeld, een lijfrentekapitaalpolis die op 65 jaar uitkeert en eigen huis met een hypotheek. Over die drie ton tobt hij, hoewel hij toegeeft een luxetobber te zijn.

Meneer moet eerst zijn doelen en risico's vaststellen. Hij loopt de volgende risico's. Drie jaar minder loon na ontslag, daarna twee jaar nog minder en na vijf jaar het sociaal minimum in de IOAW, zonodig tot het 65ste jaar. Door het lagere inkomen vermindert de belastingaftrek voor de hypotheekrente en lijfrentepolispremies. Als de aftrek per 10.000 gulden nu 50 procent is (5.000 gulden) en straks 37,5 procent, scheelt dat 1.250 gulden per jaar. Door het ontslag houdt de pensioenopbouw bij zijn werkgever op, hoewel die soms tijdens de loongerelateerde WW-uitkering kan worden voortgezet door het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering. Een vierde punt is de vermogensbelasting van 8 gulden per 1.000 gulden vermogen. Die drukt procentueel zwaar op een laag inkomen.

Hoe compenseert meneer de gevolgen van deze risico's? Over drie jaar, of iets eerder als de rentestand gunstig lijkt, kan hij obligaties kopen. Die leveren ieder jaar een vast inkomen op. Bij 6,5 procent (huidige) rente geeft een ton in obligaties 6.500 gulden per jaar en twee ton al 13.500. Die twee ton, zo belegd, kan tot in lengte van jaren dienen als bron van (pensioen)inkomen en noodreserve. Voor dat vaste inkomen kan hij door de inflatie steeds iets minder kopen.

De minder gunstige belastingaftrek kan hij verzachten door de hypotheek geheel of gedeeltelijk, zeg 50.000 gulden, af te lossen en minder te betalen voor de lijfrentepolis met variabele betaling van premies. Daarna resteert er 50.000 gulden. De helft kan op een spaarrekening en de andere 25.000 kunnen, desgewenst, in aandelen door bijvoorbeeld iedere maand een flink bedrag over te maken naar een beleggingsfonds. Meneer moet deze suggesties met zijn adviseur(s) doornemen voor hij iets doet.