Jetzt kommen die lustigen Tage

De jarige is 75 geworden en wilde eens wat anders. Ze heeft een rondvaartboot gehuurd en deze koerst nu, tegen zes uur op een late julidag, traag van de Roer de brede Rijn op. We verlaten de Duisburgse binnenhaven in noordelijke richting.

De huizen aan weerskanten maken plaats voor de hoge pakhuizen, kranen, staalkokers, hoogovens, Kupfermühlen die deze Montan-stad ooit, met Essen en Dortmund, tot het economische hart van het Roergebied en het industriële hart van Duitsland maakten.

Ooit, want die tijd is voorbij, intussen is hier een soort maanlandschap ontstaan. Enorme staketsels pieken de lucht in als een boodschap van vroeger. Een nieuwe Rijnbrug detoneert. Die is vast vooral bedoeld voor mensen die buiten Duisburg werken en niet andersom, zoals ooit. Gebroken glas, door onkruid overwoekerde rails, roestige vrachtwagons, roet en betonrot kleuren het beeld verder in. Beroemde namen staan op hoge oude muren: Thyssen, Mannesmann, Stinnes, Haniel, Klöckner, Demag, Krupp, Küppers.

In de stad zelf zijn de honderd jaar oude fabrieken en pakhuizen vaak allang veranderd in woonblokken, zalencentra, schouwburgjes, sporthallen, desnoods in filialen van gemeentelijke diensten. De Kohlenpott is wegens vooruitgang gesloten. Vroeger deed je in Duisburg een halve dag met een wit overhemd, nu makkelijk een hele. Grote stadswijken als Ruhrort, Meiderich, Rheinhausen en Hamborn, waar de Krupps en Thyssens hun personeel hadden, zijn nu schoon en milieubewust. Men doet er aan dienstverlening en handel. Of men is werkloos. De moderne Duitse industrie, die soms ook al niet meer zó modern is, staat in Beieren, Baden-Württemberg en Hessen.

Het gezelschap in de boot is naar leeftijd tamelijk homogeen, maar voor het overige nogal gemèleerd. Sekt en limo, bier en schnapps, als het ware. Kleinkinderen doen een sketchje, verder wordt het eerste anderhalf uur afwisselend toegesproken en gezongen. De jarige was tot vijftien jaar geleden directiesecretaresse bij Klöckner. Zij speelde in de jaren dertig hockey bij de beroemde en chique tennis- en hockeyclub Raffelberg. Een groepje oudere dames, het is natuurlijk geen compleet team meer maar ze zien elkaar nog geregeld, spreekt op rijm en laat als refrein steeds een beschaafde yell horen. Net als toen, zeg in 1937.

De jarige en haar man hebben tientallen jaren met een vaste groep vrienden overal in Duitsland aan wandern gedaan. Dus worden er Wanderlieder gezongen, met veel bossen, bergtoppen en ruisende stromen. Dat Duitsland bestaat nog echt, al is het op leeftijd geraakt. De tekst van twaalf zulke liederen is vooraf per stencil uitgereikt. De CDU moet sterk zijn op deze boot.

Achter me zit een forse heer die misschien wel van de natuur houdt, maar niet zo van zingen. Hij ziet mij als geestverwant, laat vier pils en vier schnapps op een dienblad zetten en loodst me mee het dek op. Hij, August zullen we maar zeggen, was aannemer in de bouw, klein begonnen, aardig succes gehad, nu alweer een paar jaar gepensioneerd. Ik vraag hem wat hij vindt van zo'n verjaarstocht langs een industrieel kerkhof. Nostalgie bij een lijkenlucht, is dat niet wonderlijk? Of is dat terug willen naar een gisteren dat helemaal weg is symptomatisch voor zijn generatie, nu de economische superioriteit van de Bondsrepubliek zo op de tocht staat?

Alsof een veer springt barst hij los, laat staccato een levensverhaal te horen waarin de portie 'onverwerkt' nog steeds groot is. Het is een verhaal waarin zijn geboortejaar, de oorlog, de dood, de ruïnes en de Trümmerfrauen die die ruïnes opruimden voorkomen (zijn vrouw was er als meisje ook een). Een verhaal over hoe lastig het soms als Duitser kan zijn in het buitenland. Hij is nu 68 en was destijds dankzij de genade van een late geboorte net te jong om nog soldaat te moeten worden. Hij behoort, zoals ook Hans-Dietrich Genscher bijvoorbeeld, tot de generatie van de Flak-helfer en stond als bange scholier / luchtafweerschutter nog op dat Thyssen-complex waar we net langs gevaren zijn. Hij zegt er trots bij dat hij veertig jaar later aan de nieuwe Rijnbrug heeft meegebouwd. Wirtschaftswunder, hebben we zelf aan gewerkt, doen maar weinigen ons na, meneer.

Eergisteren was gruwelijk, daarvan hebben de bezoekers van dit verjaarsfeest hun leven lang last gehad. Maar gisteren, dat in de tweede helft van de jaren veertig begon, dát was wat. Toen werden zij, met dat Koude-Oorlogsprodukt dat de Bondsrepubliek was, wieder wer. Vandaag, nu de rente op de staatsschuld de grootste begrotingspost is, “nu jonge mensen zonder perspectief op straat moeten blijven staan en we economisch misschien niet eens meer bij de kopgroep in Europa horen”, is het véél minder, zegt hij. Te vrezen valt dat zijn verhaal representatief is voor wat vele miljoenen Duitsers denken.

De drank is op, we gaan terug naar het verjaarsfeest. Daar wordt nog steeds gezongen. Jetzt kommen die lustigen Tage, Schätzel ade,/ und dass ich es dir auch gleich sage, es tut mir gar nicht weh./ Und im Sommer, da blüht der rote, rote Mohn und ein lustiges Blut/ kommt überall davon. Schätzel, ade, ade, Schätzel ade!