Het voor en tegen van individualisering

H. KUNNEMAN: Van theemutscultuur naar walkman-ego. Contouren van postmoderne individualiteit

348 blz., Boom 1996, ƒ 45.-

Een van de kleverigste bestanddelen van het ideologische cement dat

het paarse kabinet bijeenhoudt, is ongetwijfeld de lofzang op de individualisering. Niet langer uitsluitend liberalen, maar ook sociaal-democraten belijden vandaag de dag de afkeer van bevoogding door

de overheid en pleiten hartstochtelijk voor vrijheid, autonomie en zelfredzaamheid. Dat daarbij vooral economische zelfstandigheid wordt bedoeld en dus impliciet wordt gekozen voor het primaat van de markt, economische groei en consumentisme, daarover klaagt nog slechts een enkele oudere sociaal-democratische kniesoor. Als er al kritiek wordt geuit op de individualisering, dan komt die nu vooral van de zijde van de christen-democraten. Zij verbinden haar met morele ontreddering, sociaal isolement, verharding van sociale relaties en criminaliteit.

Harry Kunneman, hoogleraar wijsbegeerte aan de Universiteit van Humanistiek, betoogt in Van theemutscultuur naar walkman-ego dat zowel de juichende als de verontrustende interpretatie van de voortgaande individualisering berust op een misleidende reductie. Tegenover deze typisch moderne interpretaties wil hij uit “een postmodern geïnspireerd perspectief op individualiteit en individualisering” recht doen aan het veelzijdige en ambivalente karakter van dit proces.

'Eigen' identiteit

De auteur waardeert de individualisering voor zoverre deze ons heeft bevrijd van de verstikkende theemutsencultuur die kenmerkend was voor de

verzuilde samenleving. De daarvoor kenmerkende bekrompenheid heeft geleidelijk aan plaatsgemaakt voor levensbeschouwelijke individualisering. Het postmoderne individu ontwerpt zijn eigen bestaan en kan daarbij putten uit een grote verscheidenheid aan 'cultureel materiaal' dat niet langer door een overkoepelende levensbeschouwing bijeen wordt gehouden. Deze levensbeschouwelijke individualisering kan echter niet worden los gezien van de economische globalisering. Naarmate

de hoofden minder worden afgeschermd door de geboden en verboden van de theemutsencultuur, wordt het leven van het postmoderne individu steeds meer beheerst door economische en commerciële invloeden. Het postmoderne individu dient zijn 'eigen' identiteit op de markt te kopen.

Kortom: de theemutsen gaan af en de walkman gaat op. Tegen deze achtergrond behandelt de auteur in de tien hoofdstukken van het boek - bewerkingen van een reeks artikelen en lezingen uit de afgelopen vijf jaar - uiteenlopende onderwerpen, die onder drie thema's zijn geordend.

In het eerste deel werkt Kunneman zijn door Habermas geïnspireerde maatschappijdiagnose nader uit, waarbij hij zich laat leiden door de vraag naar de mogelijkheid van maatschappelijke vooruitgang. Hij zet zich af tegen de liberale ideoloog Fukuyama, die stelt dat met de kapitalistische markteconomie en de parlementaire democratie de best denkbare maatschappijvorm is bereikt. Fukuyama gaat echter voorbij aan het feit dat het succes van de kapitalistische economie nog altijd gebaseerd is op roofbouw op arbeidskrachten en natuurlijke hulpbronnen, nu vooral uit de Derde Wereld.

Maar Kunneman verzet zich ook tegen de radicale postmoderne liquidatie van het liberale en socialistische vooruitgangsgeloof die zijns inziens leidt tot een verlammend relativisme. Hij pleit ervoor het vooruitgangsgeloof op basis van de postmoderne kritiek zodanig te veranderen dat de in deze kritiek aanwezige menselijke betrokkenheid niet wordt opgegeven, maar juist wordt geradicaliseerd. Dit resulteert in een hoofdstuk over de ambivalenties van de mensenrechten in een pleidooi voor de universaliteit van deze rechten. Volgens Kunneman moeten we de mensenrechten echter niet opvatten als een tijdloos gegeven, maar als een nog te realiseren opgave. We dienen onder ogen te zien dat de mensenrechten gekoppeld zijn aan een bepaald type samenleving dat niet alleen wordt gekenmerkt door burgelijke vrijheden, maar ook door economisch en ecologisch geweld. Wanneer we andere culturen de mensenrechten voorhouden, moeten we bereid zijn ook deze schaduwzijden van het kapitalistische systeem serieus te nemen.

In het tweede, meest filosofische deel van het boek pleit Kunneman, in het voetspoor van de postmodernist Lyotard en de feministe Irigaray, voor een verbreding van de notie van rationaliteit. Habermas beperkt rationaliteit ten onrechte tot 'talige' communicatie, met als gevolg dat

hij de rol van de lichamelijkheid en gevoelens onvoldoende erkent. Bovendien verdwijnt daardoor ook uit het zicht dat het individu niet autonoom is, maar een 'inschrijfveld van libidinale, culturele en economische krachten'. Dat impliceert volgens Kunneman niet dat we het moderne ideaal van zelfbepaling geheel zouden moeten opgeven. We bezitten namelijk wel een zekere ruimte om ons op een eigen wijze te verhouden tot deze krachten en zo op individuele wijze gestalte te geven

aan ons levensverhaal.

In het derde, meer praktische deel gaat de schrijver nader in op het probleem dat die speelruimte vaak niet wordt benut. Dat komt volgens hem

doordat professionals in het onderwijs, in de media en in de zorg- en welzijnssector steeds meer gedwongen worden strategisch, op succes en effectiviteit gericht te handelen. Hoewel deze 'kolonisering van de leefwereld' zijn voordelen heeft, dreigt zij de cliënt te reduceren

tot een louter object van technisch ingrijpen. Kunneman pleit voor een normatieve professionaliteit, die strategisch handelen combineert met aandacht voor levensvragen en individuele keuzemogelijkheen. Dat zou niet alleen de kwaliteit in de gezondheidszorg verbeteren, maar ook bijdragen aan de herwaardering van zorgtaken en vrijwilligerswerk, activiteiten die in de prestatiemaatschappij weinig prestige genieten.

Van theemutscultuur naar walkman-ego levert een lezenswaardige en voor een breed publiek toegankelijke bijdrage aan het debat over de postmoderne samenleving en cultuur. Kunneman beperkt er zich niet toe de

opvattingen van de hoofdrolspelers in dit debat weer te geven, maar hij denkt verder op de door hen gebaande wegen. Bovendien verbindt hij de vaak nogal abstracte filosofische discussies op verhelderende wijze met concrete maatschappelijke vraagstukken. Toch overtuigt het boek niet in alle opzichten. Dat hangt vooral samen met Kunnemans onbedwingbare neiging tegengestelde posities te verzoenen. Dit wreekt zich vooral in zijn bespreking van de modernist Habermas en de postmodernist Lyotard, die de filosofische kern van het boek vormt. Hoewel Kunneman de uit den treuren verwoorde tegenstelling tussen Habermas en Lyotard sterk relativeert, laat hij zich zozeer meeslepen door hun veronderstelde 'geheime bondgenootschap', dat hij in het andere uiterste vervalt en de onmiskenbare verschillen tussen deze denkers uit het beeld laat verdwijnen. In dat opzicht blijft hij een echte leerling van Habermas, die dezelfde modernistische neiging tot integratie vertoont.

Dit probleem doet zich niet alleen op theoretisch vlak voor, maar ook bij de beschrijving van de huidige samenleving. Ik betwijfel bijvoorbeeld of de auteur werkelijk recht doet aan de radicale verschillen in 'postmoderne individualisering', wanneer hij het hedendaagse zorggedrag laat variëren van “het opvoeden van kinderen en het meedraaien in het buurthuis, tot het begeleiden van een jeugdelftal, het oprichten van een wijkcomité of het participeren

in een ouderraad''. Het is mij een raadsel hoe ik de junk op Rotterdam CS, de gabber uit de house-scene en de dag en nacht op Internet vertoevende cyberpunk in dit schema moet passen.

In zijn kritische bespreking van de hulpverleningspraktijk gebruikt Kunneman het beeld van het broodrooster, waarin de cliënt en zijn problematiek stelselmatig worden aangepast aan de maat van het hulpverleningsaanbod. Zijn eigen benadering heeft ook wel iets van zo'n broodrooster. Alle verschijnselen die hij blootstelt aan zijn communicatieve begrippenapparaat vertonen na enige tijd dezelfde egale kleur. Dat is consequent, maar draagt niet werkelijk bij aan de erkenning van de radicale verscheidenheid die de postmoderne individualisering kenmerkt.