Deconfiture 66

De ineenstorting van een luchtkasteel komt altijd ongelegen en is zelden plezierig. Soms is de gebeurtenis echter leerzaam, vooral wanneer

de betrokkenen dapper blijven glimlachen, terwijl de kantelen van hun geestelijk bastion reeds krakend ter aarde storten. Dan blijkt hoezeer de hardnekkigheid waarmee de mens zich verschanst in zijn eigen illusies

de kurk is waarop onze beschaving drijft.

Zo geloofde in de vijfde eeuw van onze jaartelling menige christelijke intellectueel nog rotsvast in de onvergankelijkheid van het

Romeinse Rijk. “Christus was immers zelf een Romeins burger”, betoogde

bijvoorbeeld Orosius, een vriend van Augustinus, en hij voegde daar zelfverzekerd aan toe dat de eeuwige stad eenvoudig niet kon vergaan: quando cadet Roma, cadet et mundus - als Rome valt, stort de hele wereld

in. Enkele dagen later klopten de Gothen aan de poort, en zij kwamen niet op theevisite.

Nadien weten historici dan te melden dat er allang barsten in de muren van het Romeinse Imperium zaten, dat houtwormen woekerden in de palissaden en dat zowat alle funderingen waren aangetast door culturele betonrot. Maar geschiedschrijvers hebben gemakkelijk praten. Orosius moest een diagnose van zijn eigen tijd stellen, en dat is andere koek dan een film recenseren waarvan de afloop al bijna twee millennia bekend

is.

Menig D66-coryfee zal zich deze dagen voelen als een Romein in de vijfde

eeuw na Christus: er hangt onmiskenbaar een geur van bederf in de lucht,

maar zolang de keizer zelf nog uitrukt om de binnenbrandjes te blussen, kan men elkaar wijsmaken dat er geen vuiltje aan de lucht is.

Als de korte maar vinnige D66-discussie over 'de opvolging' echter iets duidelijk maakt, dan is het dat het tijd wordt voor de democraten om de borstweringen te bemannen. Net zoals Gothen komen journalisten meestal in hordes, vooral als ze bloed ruiken. De klop op de poort van het democratische luchtkasteel zal onherroepelijk klinken. Als het niet nu is, dan toch zeker op afzienbare termijn in het stemhokje.

Dit is niet de plaats om de vraag te beantwoorden of er reeds lang barsten zitten onder de paarse plamuur van de partij, noch of de nu dertig jaar oude funderingen zijn aangetast door democratische betonrot.

Vast staat dat discussies in de politiek altijd te laat worden gevoerd (of men nu de ogen sluit voor een onafwendbare generatiewisseling, voor het optreden van een ideologisch zwart gat, of voor een blijkbaar door niemand opgemerkt miljoenen guldens verslindend debacle bij de automatisering van de sociale diensten).

Wij zijn hier echter niet om D66 te begraven, noch om de partij het graf

in te prijzen - hoogstens om te constateren dat het interne gekrakeel aanduidt dat het voor de mondige burger tijd is de balans op te maken van de inbreng der democraten in dit door de partij gedroomde kabinet.

De belofte luidde dat de Nederlandse politiek opener en verantwoordelijker zou worden. Wat wij kregen was een D66-minister van Justitie die op de eerste dag van haar aantreden een cheque van twee miljoen tekende om een criminele informant van een gerieflijke oude dag te verzekeren, die niet de twijfel heeft kunnen wegnemen of alle overheidsrapporten inzake de IRT-affaire volledig aan de parlementaire enquête-commissie zijn overgedragen, en die een gouden handdruk nodig had om althans de schijn van daadkrachtigheid te redden. Niemand zal beweren dat deze minister schuld heeft aan de staat van ontbinding waarin het justitiële apparaat verkeert, maar politiek verantwoordelijk is zij wel. Er zijn bewindslieden om minder opgestapt.

De belofte luidde dat de Nederlandse politiek duidelijker en minder confessioneel zou worden. Wat wij kregen was een D66-staatssecretaris die als de eerste de beste CHU-er een toneelstuk over het koningshuis niet wil subsidiëren met geen ander argument dan dat het over het koningshuis gaat, en die een spellingsverandering heeft doorgedrukt die de geschiedenis zal ingaan als de meest schlemielige overheidsoperatie sinds de Tiendaagse Veldtocht tegen de Belgen in 1830. Pannenkoeken verzachten de zielenpijn van de lekenbroeder, moeten we voortaan van deze staatssecretaris schrijven, maar veel erger is dat hij zonder enige

schaamte de Nederlandse taal uitventte aan woordenboekenuitgevers die slechts oog hadden voor de Sinterklaasverkopen. Er zijn bewindslieden voor minder aan de dijk gezet.

De belofte was dat de politiek dichter bij de burger zou komen. Wat wij kregen was een D66-minister van Buitenlandse Zaken die als politiek leider van zijn partij het referendum propageert, maar er niets voor voelt de Paneuropese visoenen der Nederlandse politiek voor te leggen aan de burgerij, en die een herijkings-operatie op zijn eigen departement doorvoert waarvan de uitkomst in duister is gehuld (het ministerie krijgt bijna twintig nieuwe directoraten maar niemand schijnt

te weten welke consequenties de enorme personele uitbreiding der ambassades heeft wat betreft kosten, beveiliging en logistiek). Er zijn politieke leiders om minder bekritiseerd.

Anderzijds mag men niet uitvlakken dat wij dank zij de paarse politiek thans ook op zondag magnetronmaaltijden in de supermarkt kunnen kopen, hetgeen een wezenlijke verrijking van ons bestaan is. Het zou kortom weinig dankbaar zijn een interne partij-discussie te gebruiken als aanleiding voor een politieke slachtpartij. Reeds te vaak wordt in de media de werkelijkheid opgevat als journalistiek speelgoed: met snedigheid en artificiële opwinding probeert men dan het eigen gebrek aan inzicht te maskeren.

Geconstateerd kan slechts worden dat D66 nu een volwassen politieke partij is: na lang zoeken heeft men de macht gevonden, maar niemand weet

precies wat ermee aan te vangen.