De nieuwe rijken en de nieuwe armen van Kabul; Mercedessen tussen het puin

Nu de strijd het laatste jaar iets is geluwd, herneemt in Kabul, de hoofdstad van Afghanistan, het leven langzaam zijn normale loop. Waterleidingen worden gerepareerd, bloemen geplant en huwelijken gesloten. Maar de kloof tussen arm en rijk wordt dieper en dieper en van een duurzame vrede kunnen de bewoners alleen nog maar dromen.

'Kabul staat in brand' heet het dramatische en populaire liedje dat oorverdovend door een cassettewinkeltje in de Afghaanse hoofdstad davert. Glimlachend erkent de eigenaar iets te hebben vernomen over een verbod op muziek op radio en televisie dat de regering van de nieuwe premier Gulbuddin Hekmatyar heeft uitgevaardigd. Die muziek zou on-islamitisch zijn. Ook de bioscopen moesten hun deuren sluiten. Maar hij trekt zich voorlopig niets aan van het muziekverbod: “We zijn hier niet in de provincie”, zegt hij korzelig. “Dit is de hoofdstad van Afghanistan. De mensen zijn hier op hun vrijheid gesteld.”

De inwoners van Kabul hebben een reputatie van eigenzinnigheid en de mentaliteit is hier liberaler dan in de rest van het land. “Niemand kan de openheid van Kabul blijvend aantasten”, meent de Afghaanse manager van de Duitse club, een instelling die dateert van voor de oorlog. “Zelfs de mujahedeen is dat na hun zege op de communisten niet gelukt, toen ze in 1992 Kabul binnentrokken.”

Ook na vier jaar helse factiestrijd van de voormalige islamitische verzetsstrijders, waardoor Kabul grotendeels in treurige puinhopen veranderde, lijkt de geestkracht van de Kabuli's nog ongebroken. Mujahedeen of niet, veel vrouwen dragen nog altijd uitdagend lippenstift en elegante pumps, terwijl ze hun sluier slechts half over hun haar draperen. Een gruwel in de ogen van premier Hekmatyar, die begin jaren zeventig al fundamentalistische trekjes had en op de campus van de universiteit van Kabul met zuur gooide naar meisjes in korte rokken. Hekmatyar kan zich nu troosten met de gedachte dat die rokjes in elk geval allang uit het straatbeeld zijn verdwenen.

Hier en daar begint de hoofdstad uit zijn as te herrijzen. Er staan enkele nieuwe gebouwen in de steigers en veel van de half verwoeste huizen worden opgelapt. Nu de strijd het laatste jaar iets is geluwd, krijgt de stad langzamerhand een normaler aanzien. De waterleidingen worden hersteld en af en toe is er eventjes stroom, een luxe die Kabul ruim drie jaar niet heeft gekend. Er zijn ook weer heuse verkeersagenten en de gemeentewerken van Kabul hebben zelfs al weer kans gezien wat bloemetjes te planten. “We willen nu serieus aan de slag met picknick-plaatsen en parken”, zegt de burgemeester van Kabul, Mohammed Ibrahim Warsaji.

De vitaliteit van de hoofdstad blijkt vooral uit de huwelijken die weer volop worden gesloten. Op vrijdag, de islamitische zondag, wemelt het van de vrolijke, met kunstbloemen versierde trouwauto's en uit menig huis schalt muziek van een trouwpartij. Een ander bemoedigend teken is dat duizenden aspirant-studenten uit Kabul en omstreken onlangs deelnamen aan een toelatingsexamen voor de universiteit. Maar achter zulke tekenen van nieuw leven gaat het andere, zwaar geschonden Kabul schuil. Het Kabul van de mensen, die alles kwijt zijn: hun man of vrouw, hun ouders, kinderen, huis, werk, geld, hun vertrouwen in de toekomst. Het Kabul van de mensen die nog niet zijn bekomen van de mokerslagen die de oorlog hun heeft toegebracht en die elke dag worstelen om het hoofd boven water te houden. De mensen die nu al met angst en beven de volgende winter tegemoet zien, waarin ze zich voor de zoveelste keer met veel te weinig voedsel door de ijzige kou moeten heenslaan. De Afghanen mogen taai zijn als leer, er zijn grenzen aan hun incasseringsvermogen.

Bedelaars

Tot dit Kabul horen ook de duizenden, meestal analfabete vluchtelingen, die de stad niet goed kennen en geen vrienden in hogere kringen hebben om hen aan een baantje te helpen. De meeste vluchtelingen raken snel aan de bedelstaf of zijn afhankelijk van de voedseldistributies door de talrijke internationale hulporganisaties, die als een soort infuus voor de uitgeputte stad dienen.

Kwam je vroeger hooguit een paar invalide bedelaars tegen bij de ingang van een moskee, nu doorkruist een leger van duizenden bedelaars en bedelaartjes de stad. Overal worden mensen die er enigszins welvarend uitzien aangeklampt met treurige smeekbedes. Het is deprimerend om de vroeger zo trotse Afghanen, bij wie het bedelen eenvoudig niet opkwam, zich zo te zien vernederen.

Maar niet alleen de vluchtelingen, ook honderdduizenden anderen lopen op hun tandvlees. Al lang geleden hebben ze hun laatste goede spullen verkocht en elke dag hebben ze opnieuw de grootste moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Dit geldt voor de talrijke regeringsambtenaren, die zelden meer dan 80.000 afghani's verdienen, en andere mensen in loondienst. Doordat de regering lukraak geld blijft drukken, daalt de koers van de afghani dagelijks en kan met de salarissen steeds minder worden gekocht. Een bedrag van 80.000 afghanis is nog maar acht gulden waard, een zak aardappelen van vijf kilo kost omgerekend al anderhalve gulden.

Het verrukkelijke Afghaanse fruit, van kolossale suikermeloenen tot de fijnste druiven, is voor de meeste van de anderhalf miljoen Kabuli's onbetaalbaar. Verse groente, vlees of melk, is ook zelden meer voor hen weggelegd. Het dieet van de gemiddelde burger blijft beperkt tot zo'n 1700 calorieën per dag; tot droge nan - het platte Afghaanse brood - thee en wat rijst. “Ik verkoop tegenwoordig hoofdzakelijk aan militairen, zelden aan gewone huisvrouwen”, zegt een fruitventer. “Ik vind dat jammer, maar wat kan ik er aan doen?”

Tussen rijk en arm, tussen de mensen die van de oorlog hebben geprofiteerd en degenen die dagelijks moeten zien te overleven gaapt in de hoofdstad een snel dieper wordende kloof. Of de bioscopen dichtgaan of lippenstift wordt verboden, speelt voor de armen geen rol meer: ze kunnen het toch niet betalen.

De militaire bazen, die in hun kogelvrije Mercedessen zonder nummerplaten door de stad zoeven en in de fraaiste huizen bivakkeren, zijn het prototype van de nieuwe rijken. Sommigen van hen zouden het ook zonder oorlog tot welstand hebben gebracht, maar de meesten zouden toch wat lager hebben gestaan op de sociale ladder. Naast de hoge militairen is er een groep gewiekste handelaren die over de juiste politieke en militaire connecties beschikken en de bevoorrechte kringen van Mercedessen en andere statussymbolen voorzien, uiteraard tegen exorbitante prijzen. Daaronder zit dan nog een redelijk welvarende laag van handelaren, die in minder spectaculaire waren als bijvoorbeeld levensmiddelen doen.

Voor de mensen die onderwijs hebben genoten en de Engelse taal enigszins beheersen is meestal emplooi te vinden bij de internationale hulporganisaties, die zich in Kabul vestigden zodra het kanongebulder wat afnam. De hulporganisaties betalen bijna altijd meer salaris dan de kantoren in Kabul en trekken daardoor alle talent naar zich toe. Een ontwikkeling die de ministeries wanhopig maakt.

Scharminkel

Aan de andere kant van de sociale kloof bevinden zich bijvoorbeeld de kinderen die op de afdeling ondervoeding van het Indira Gandhi-kinderziekenhuis terecht komen. Kinderen als de één jaar oude Sulaiman, een zielig, helemaal geel geworden scharminkel. Zijn moeder zit moedeloos naast zijn bed en vertelt dat Sulaiman de droge harde nan nooit door zijn keel kon krijgen. Maar beter voedsel konden zij en haar man niet betalen. Even verderop zit, met half dicht geknepen ogen, het driejarige meisje Najer, die er half zo oud uitziet. Af en toe ontsnapt er een zacht gejammer aan haar mond. Ze kan alleen via een infuus door de neus worden gevoed. Ook haar moeder weet wel waar het aan schortte: “Ik kon nooit melk en andere goede voeding kopen voor Najer, dat was te duur.”

De zorgwekkende toestand van de mensen aan de onderkant van de samenleving in Kabul is het Internationale Rode kruis niet ontgaan. “Uit voedingsonderzoeken die we de laatste tijd hebben gehouden bij kinderen onder de vijf jaar, komt duidelijk een verslechtering van de toestand naar voren”, aldus de Zwitserse arts Michel Michael. “Het is niet zo dramatisch als het wel eens in Afrika is geweest. Je ziet niet veel acute ondervoeding, maar er is veel chronische ondervoeding. Die springt meestal niet zo in het oog omdat de kinderen gewoon wat te klein zijn voor hun leeftijd. Ze zien er uit als een driejarige, maar zijn in werkelijkheid al vijf.”

De armen, die vaak huizen bewonen in wijken die nog niet van landmijnen zijn ontdaan, zijn het vaakst het slachtoffer van de aanhoudende oorlog. Want de strijd gaat op de achtergrond nog altijd door, zij het op kleinere schaal dan een paar jaar geleden. Elke maand vallen er nog tientallen doden en honderden gewonden door raketten en andere projectielen die de Talibaan - de islamitische oppositie die ongeveer de helft van Afghanistan onder haar gezag heeft - de stad inschieten. In het kinderziekenhuis liggen twee bijna van top tot teen in verband verpakte broertjes, de negenjarige Ali Muddin en de achtjarige Kia. Ze waren een paar weken geleden met een neefje water aan het halen niet ver van hun huis in het westen van Kabul, toen ze plotseling door een explosie in de lucht werden geslingerd. Hun neefje was dood, zijzelf waren zwaar gewond. “Ik schrok vreselijk toen ik weer bij bewustzijn kwam in het ziekenhuis”, zegt Alimuddin. Zowel hij als zijn broertje hebben geluk gehad: ze hebben een goede kans op herstel.

Diefstal

De militairen, die als het erop aankomt in Kabul de lakens uitdelen, hebben zich er van vergewist dat zij voorlopig over voldoende financiële middelen kunnen beschikken. Vorig jaar bezondigden ze zich nog aan ordinaire berovingen van voorbijgangers, nu passen ze verfijndere technieken toe. “De diefstal is nu meer geïnstitutionaliseerd”, zegt een Westerling, die al geruime tijd in Kabul verblijft. “Ze laten iedereen die wat bezit belasting betalen, van winkeliers tot taxi-chauffeurs. Natuurlijk wordt nooit rekenschap afgelegd van de besteding van het geld dat ze zo binnenkrijgen.”

President Burhanuddin Rabbani en zijn militaire meesterbrein op de achtergrond, Ahmed Shah Massoud, maken zich met deze praktijken niet populair. Dat geldt ook voor hun recente besluit een verbond aan te gaan met hun vroegere aartsvijand Gulbuddin Hekmatyar, de man die er door zijn jarenlange beschietingen verantwoordelijk voor is dat grote delen van Kabul nu in puin liggen. Voor veel inwoners was het een kras voorbeeld van opportunisme van beide kanten. Rabbani en Massoud, die tot de Tadzjiekse minderheid horen, konden wel een bondgenoot van de Pathaanse meerderheid gebruiken tegenover de eveneens overwegend Pathaanse Talibaan. Hekmatyar, die het laatste jaar sterk aan kracht had ingeboet, zag op zijn beurt in het premierschap een kans zijn prestige weer wat op te krikken, al ligt de werkelijke macht niet bij hem maar bij Rabbani en Massoud.

Generaal Muslim, een jonge militair die dankzij de oorlog snel carrière maakte en nu in een Mercedes rondrijdt, verdedigt de beslissing van Rabbani en Massoud om met Hekmatyar in zee te gaan. “We zijn bereid het verleden te vergeten. Alleen door een verzoening met Hekmatyar kunnen we in Afghanistan een toestand van stabiliteit en vrede bereiken.”

Veel burgers denken hier anders over. De 60-jarige weduwe Karima raakte drie jaar geleden haar zoon, schoondochter en neefje kwijt bij een raketaanval op haar huis. Zelf was ze gewond. Het projectiel was waarschijnlijk afkomstig uit het kamp van Hekmatyar. Nu zit Karima, gekleed in een grijze shalwar kameez, de traditionele, pyjama-achtige Afghaanse dracht, in een tehuis voor ontheemden in het westen van Kabul. Eén ding weet ze zeker: “Van mensen als Hekmatyar, de mujahedeen of de Talibaan heeft de bevolking niets goeds te verwachten.”

De Talibaan, die vorig jaar na een spectaculaire opmars voor de poorten van Kabul strandden, hebben de hoop de hoofdstad in te nemen nog altijd niet opgegeven. In het onooglijke plaatsje Maidan Shar, te midden van kale bergen op slechts dertig kilometer afstand van Kabul, betoogt de lokale Talibaan-commandant Aziz Khan, dat hun komst bitter nodig is. “In Kabul”, aldus Aziz Khan, “heerst overal corruptie doordat er geen islamitische regering zit. Alle dieven uit de gebieden die wij hebben bevrijd, zijn gevlucht naar Kabul. De islam verbiedt corruptie, dus is Rabbani's regering niet islamitisch.” Hoe de Talibaan zelf met corrupte individuen omspringen, onthult een tekst op de muur van Aziz' hoofdkwartier: 'Wie corrupt is, zal de doodstraf krijgen.' Twee maanden geleden voegde men in Maidan Shar de daad bij het woord en werden twee vermeende spionnen opgehangen, bevestigt Aziz tevreden. De overige Talibaan in het vertrek, allen met baard en tulband, knikken instemmend.

Aziz verwijt Rabbani en de zijnen ook dat ze geen stabiliteit en veiligheid bieden. Zijn woorden zijn een wonderlijk staaltje van islamitische logica, want het komt juist door de aanhoudende beschietingen van de kant van de Talibaan dat Rabbani daar niet in slaagt. De meeste Talibaan zijn eenvoudige boerenjongens die hooguit een paar jaar op een moskeeschooltje hebben gezeten. Het is aandoenlijk te zien hoe stuntelig de 'secretaris' van Aziz de vragen voor het interview op een beduimeld papiertje krabbelt. De Talibaan in Maidan Shar zijn duidelijk meer vertrouwd met de kalasjnikov dan met pen en papier.

De Talibaan zijn zich er helaas niet van bewust dat in Kabul bijna niemand op hen zit te wachten. Zelfs de critici van Hekmatyar, Rabbani en Massoud zijn het erover eens dat deze leiders minder wereldvreemd zijn dan de achterlijke Talibaan.

Onder deze omstandigheden kan men alleen maar van vrede dromen. “We vinden het hier al een gouden dag, als er eens geen raketten op de stad vallen”, zegt burgemeester Warsaji. Hij ziet wel in dat zonder vrede de wederopbouw van Kabul nooit van de grond zal komen en de groeiende onderklasse van Kabul ook nooit de kans krijgt weer op te krabbelen.

Het Internationale Rode Kruis heeft met een nieuw, symbolisch geladen, project toch maar een voorschot op de vrede genomen: het subsidieert smeden in Kabul voor het omsmelten van wapentuig in schoffels en spades, die gratis worden verdeeld onder de boeren buiten Kabul. Helaas is er nog nooit een bruikbaar wapen in de oventjes van de smederijen verdwenen. De echte wapens blijven voorlopig paraat. 'Kabul staat in brand' zal nog wel even een actuele hit blijven in de Afghaanse hoofdstad.